Choose a Category

Mar 19, 2012

Psychokiller, Qu'est-ce que c'est? (1)

Mijn interesse in films begon ongeveer toen ik Pulp Fiction voor het eerst keek. Het cartooneske geweld, het cynisme, het iconische van Hollywood; voor mij was het een onweerstaanbare combinatie.

Tot dan toe keek ik films met m'n vriendje, in het weekend. Wát we keken hing een beetje af van wat zijn ouders hadden opgenomen, of wat de consensus binnen de vriendengroep was wanneer we naar de videotheek gingen. Vaak was dat slechte horror (I Know What You Did Last Summer, Scream),of actie (Jean Paul van Damme, Schwarzenegger, Stallone). Vermakelijk, maar vergeetbaar.

Toen ik 's avonds laat per ongeluk midden in Wild At Heart van David Lynch belandde, wist ik; er zijn dus films die mij persoonlijk aanspreken. Blijkbaar was ik al door behoorlijk wat kaf heen, het enige wat ik hoefde te doen was het koren zoeken. Het lag vast ergens.

Ik vond het ook. Films van Peter Greenaway, Peter Bogdanovich, Hal Hartley, Maya Deren, Mike Leigh, Jim Jarmusch, Richard Kern, Nicholas Roeg, Hitchcock, Stanley Kubrick, Richard Linklater, Gregg Araki, Werner Herzog.

Films die zich buiten gebaande paden wagen (My Son My Son, What Have Ye Done, Werner Herzog), films waar je doorzettingsvermogen op de proef wordt gesteld (Slacker, Richard Linklater). Niet zelden een lust voor het oog (The Cook The Thief His Wife and Her Lover, Peter Greenaway). In alle drie de films wordt geweld gebruikt. In de eerste uit gekte, de tweede uit verveling, en de derde uit jaloezie en wraak.

Echter, de film waar ik het over wil hebben is niet geniaal, laat staan een meesterwerk. De regisseur hanteert vaak een bombastische, over de top filmstijl, zonder nuances. Subtiliteit is niet aan hem besteed. Als zijn films een standpunt hebben dan wordt dat door je strot geduwd, er is geen ontkomen aan.

Oliver Stone heeft meerdere controversiële titels op zijn naam staan zoals JFK en Midnight Express. 'Greed is good' is een wijdverbreide mantra geworden door zijn film Wall Street. Met het visuele spektakel Natural Born Killers (1994) moest hij zich zelfs in de rechtzaal verantwoorden nadat twee tieners in de voetsporen van de twee hoofdpersonen uit de film waren getreden en op moordtocht waren gegaan.

Het script van Natural Born Killers is geschreven door Quentin Tarantino. Maar nadat Oliver Stone er flinke veranderingen in had aangebracht, wilde Tarantino er niks meer mee te maken hebben. Het feit dat de geest van Tarantino nog wel in het script rondwaart verklaart waarom ik in de jaren negentig zo gecharmeerd was van de film. En velen met mij. Mijn huisgenoot zei: “het is echt zo'n film van 'wij tegen de rest”. Dat de film gaat over een moordend stel, maakte blijkbaar niet uit. Ik weet dat het mij niet uitmaakte; ik zag het als een roadmovie met een romantische ondertoon.

In dit kader is het erg interessant om dezelfde films vaker te bekijken. Ik hield van roadmovies, van mensen die de boel de boel laten, in hun auto stappen. Die betekenis vinden tijdens hun trip. Een visuele achtbaan zoals Natural Born Killers met daarin twee mensen die hun middelvinger opsteken naar de maatschappij vond ik super. Omdat ik dat zelf nooit zou doen. Toch identificeerde ik me met de personages, waarschijnlijk omdat ik zelf wilde ontsnappen aan de sleur van alledag, aan de verwachtingen die anderen van me hadden, aan mijn eigen onzekerheid. Juist omdat Mickey en Mallory Knox onaangepast zijn, hadden ze voor mij enorme allure. De combinatie van Juliette Lewis en Woody Harrelson was ook niet onbelangrijk. Als koppel vond ik ze ontegenzeglijk aantrekkelijk.

Toch zijn ze in Stone's film niet meer dan bordkartonnen personages; net als alle andere personen in de film. Iedereen is uit op eigen gewin, van de gevangenisdirecteur tot de nieuwpresentator. Een echte dog eat dog wereld, waar Micky Knox' theorie (“The wolf don't know why he's a wolf. A deer don't know why he's a deer. God made it that way”) een prima leidraad is.

Goed bekeken is de hele film één groot mediafestijn. Het verhaal van Mickey en Mallory wordt doorspekt met coca cola reclames, archiefbeelden van gewelddadige gebeurtenissen en rechtszaken. Mickey en Mallory zijn zich bewust van hun beruchte status; ze laten altijd iemand in leven 'to tell the tale of Mickey and Mallory'. Het 'verhaal' is de afgelopen jaren steeds meer onze eigen levens binnengeslopen. We kennen natuurlijk allemaal het gegeven van het lelijke eendje dat een mooie zwaan wordt; vaak wordt in biografieën dit gegeven gebruikt om de weg naar de top tot een mooier verhaal te maken.

Op een regenachtige zondagmiddag zaten mijn zus en ik op de bank tv te kijken. We zapten langs een docudrama over Beyoncé Knowles. Verschillende mensen die haar als kind hadden gekend, kwamen aan het woord. Eén iemand vertelde hoe ze ontdekte dat Beyoncé erg goed kon zingen. Knowles was niet extreem verlegen, of onpopulair, maar toch werd er getracht haar zo te doen voorkomen. Mijn zus riep:”Wat een onzin! Niks wijst erop dat ze verlegen was, of niet durfde zingen! Ze dikken het gewoon aan!”

Met dit in mijn achterhoofd schreef ik in een boekbespreking op Booktunes.net over Rat Girl, de biografie van muzikante Kristin Hersh: When a musician becomes famous, people start looking for a backstory. Hindsight is a wonderful thing; we do our best to recreate a 'rags to riches' fairytale. Some events are left out and the 'ugly duckling to beautiful swan' cliché becomes the most important aspect."

Kijk maar naar de Facebook Timeline, naar de MTV-programma's over jongeren die hun leven een andere draai willen geven, tienermoeders wier hele reilen en zeilen met de camera wordt gevolgd. Waar Douglas Coupland in de jaren negentig nog schreef over Dag, Claire en Andy, die McJobbend door het leven gingen, en geen A naar Beter wensten te volgen, heeft alles tegenwoordig een 'narrative'.

In Natural Born Killers wordt flink gemanipuleerd, net als op tv. Het tv-programma 'Say yes to the dress' (TLC) volgt aanstaande bruiden in hun queeste naar dè jurk. Tijdens het kijken viel me iets op; opnames van een geëmotioneerde bruid werden tijdens dezelfde aflevering gerecycled. De bruid in kwestie moest huilen toen bleek dat haar vriendinnen wilden meebetalen aan haar droomjurk. In een poging alles emotie-gewijs nog eens extra aan te zetten, werd dat shot waarin ze huilt nòg eens gebruikt, maar nu omdat de jurk vernaaid zou moeten worden. Ze kon 'm dus niet meteen meenemen. Hetzelfde shot als eerst werd weer ingezet, maar nu zonder de informatie die we eerst kregen, namelijk dat ze blij was.

Dit gebeurt ook in MTV's Teen Mom, waar babygehuil wordt afgespeeld, terwijl de baby niet daadwerkelijk huilt. Temptation Island, een programma van dubieus niveau, had wat ik noem, een 'hijgband'. Wanneer er zich een situatie voordeed waar bewoners eventueel gingen zoenen, vozen, en wat dies meer zij, hoorde je meteen gehijg op de achtergrond. Ik keek het programma wel eens, want soms is het leuk om op de bank te hangen en naar iets te kijken waarvoor je absoluut geen inspanning hoeft te leveren. Maar toen ik me bewust werd van die hijgband, ben ik gestopt met kijken.

Op deze manier probeert tv onze interpretatie te leiden, vaak zonder dat we het zelf doorhebben. In Natural Born Killers stikt het van dit soort trucjes, waarbij Oliver Stone ons laat zien hoe we worden beetgenomen.

Doordat de film bevolkt worst door egoïstische zakken hooi, is er weinig sympathie op te brengen voor wie dan ook. Archiefmateriaal van beelden uit Waco in Texas, de Menendez broers, Tonya Harding, Charles Whitman, worden gemixt met reclame, scènes uit natuurfilms, speelfilms en tv series. Daartussendoor is het script gemonteerd, dat op zichzelf weer bol staat van de verwijzingen naar misdaad ( Charles Manson, Jack Ruby, een gevangenisbewaarder die 'Homolka' heet, politieagenten die Mickey Knox inelkaar slaan terwijl het camerastandpunt hetzelfde is als toen Rodney King werd mishandeld). Natural Born Killers ontaardt in een kakofonie van sensatie-nieuws, factoids en onderbuikverslaggeving.Uiteindelijk vraag je je af wat je nu eigenlijk zit te kijken. En ik denk dat dàt precies de bedoeling van Stone is.

Michael Weinberger heeft een essay geschreven over Natural Born Killers. Ik heb er dankbaar gebruik van gemaakt toen ik mijn eindexamenscriptie schreef, die gedeeltelijk over deze film ging. Ik lees mijn scriptie liever niet terug, omdat ik denk dat tussen de regels door mijn naïviteit wel erg duidelijk blijkt. Ik zag een verhaal, van A naar B, terwijl --ook al wil het publiek in de film een verhaal, een sensatie, een kick-- de hele film slechts ruis is. Natural Born Killers is wat het is; pompeus, visueel overdonderend en bovenal een vorm-oefening. Er zijn 18 verschillende filmstijlen en -formaten gehanteerd, van super 8 tot animatie. Nergens in de hele film is een recht shot te vinden, alles is voortdurend in beweging, zonder enige bezinning.

Het essay van Michael Weinberger heb ik met veel plezier teruggelezen, vooral ook omdat het me allemaal veel duidelijker is dan dertien jaar geleden. Weinberg trekt een parallel tussen Natural Born Killers en de roman White Noise van Don Delillo. Ik had dat boek gelezen en was er tekeningen over gaan maken.

“Lasher: "You're saying it's more or less universal, to be fascinated by TV disasters". Alfonse: "For most people there are only two places in the world. Where they live and their TV set. If a thing happens on television, we have every right to find it fascinating, whatever it is".--White Noise

White Noise is gepubliceerd in 1985, maar heeft niets aan actualiteit ingeboet. Er is een zee aan informatie beschikbaar, 24 uur per dag, 7 dagen per week. Hoe bepaal je wat wààr is en wat geconstrueerd is om je mening te beïnvloeden? Zelfs harde feiten en bewezen wetenschappelijke onderzoeken kunnen mensen vaak niet meer van de realiteit van een situatie overtuigen. Waarheid heeft aan betekenis ingeboet. Alles wordt 'white noise', storing, sneeuw op je tv-scherm.

Het aloude kip-en-ei vraagstuk dringt zich altijd weer op; is de alomtegenwoordige media schuldig aan malafide verslaggeving die ons op het verkeerde been zet? Zorgen gewelddadige tv-programma's en videospelletjes ervoor dat jongeren uit het lood geslagen raken? Of wordt ons slechts aangereikt waar we om vragen? De maatschappij en de media spelen trefbal met elkaar, en het is te simpel om één van de twee de volle schuld toe te schuiven. Het lijkt een vicieuze cirkel.

Wanneer winst het enige is dat telt, wanneer programma's alleen worden ontwikkeld om zoveel mogelijk euro's binnen te harken, dan kom je uit bij een programma als American Maniacs, waarin verslaggever Wayne Gayle maximaal van Mickey en Mallory's roem wil profiteren.

"...and I love McClusky. Cut in on him in the middle of that horrific f*ckin' laugh. Freeze frame on him. Don't even let him answer."--Wayne Gale

Ik kijk Natural Born Killers nog steeds met veel plezier, maar wel met meer afstand dan 14 jaar geleden. De film heeft zo'n snelheid dat het makkelijk is je gewoon te laten meevoeren. Maar Stone heeft de film niet gemaakt om te laten zien hoe goed hij kan monteren. Wanneer alles entertainment is, waar is dan de nieuwswaarde?

Stone bekritiseert de media omdat ze geweld glamoreus maken in plaats van het als feitelijk nieuws te behandelen.

Categories popcultuur Tags film Pulp Ficiton David Lynch Oliver Stone Natural Born Killers roadmovie MTV Michael Weinberger Don DeLillo White Noise

Dec 19, 2011

Drew Droege en Chloë Sevigny

Ik heb dit jaar geen zin om mijn plastic kerstboom van de zolder te halen. De doos met kerstballen en boom heeft tot en met november in mijn woonkamer gestaan; nu ik 'm eindelijk naar de zolder heb getild vind ik dat-ie daar prima staat.

In de buurt denken ze er anders over. Wanneer ik in het voorbijgaan een blik in andermans huiskamer werp zie ik barok opgetuigde bomen en rococo ingerichte vensterbanken. Verlichte modelhuisjes, de rode plaklijnen met nepsneeuw op de ramen. Het ziet er goed uit.

Het nadeel van het versieren van je huis met kerst is dat je het naderhand weer moet opruimen. En dan ziet je huiskamer er ineens zo kaal uit, in het kille licht van januari.

Dus onderneem ik andere dingen om in de kerstsfeer te komen. Ik kijk de clips van komiek Drew Droege, waarin hij ons als Chloë Sevigny – actrice, ontwerpster, voormalig model- verhaalt over stijlvolle kerstcadeaus, en ons haar goede voornemens voor het nieuwe jaar vertelt. Droege's Cloë bestaat al geruime tijd; al vòòr 2003 trad hij on stage op met een blonde pruik.

Droege pariodieert niet zozeer Chloë Sevigny als persoon, maar kanaliseert via haar een volkomen absurde indie levensstijl waarin hip zijn absoluut niet genoeg is; de obscuriteit van het nog cool te worden mode-item/etiquette moet worden omarmd. Met andere woorden: De nieuwe kleren van de keizer.

Chloë Sevigny is hier een perfect vehikel voor. Dat klinkt nogal respectloos, maar zo bedoel ik het niet. Sevigny maakte haar debuut in de controversiële film 'Kids'. Ook speelde ze in een hele rits avant garde films en independent films waaronder 'Gummo', en 'Brown Bunny'. Zo consolideerde deze toenmalige it-girl haar acteercarrière en werd de ongekroonde koningin van de indie-film.

Ook Sevigny's ensembles op de rode loper bleven niet onopgemerkt. De dames van Go Fug Yourself besteedden er de afgelopen jaren veel aandacht aan. Chloë Sevigny wordt door sommigen gezien als mode-icoon. Anderen vinden dat ze de plank volledig misslaat.

Ze ontwerpt inmiddels voor het label Opening Ceremony. Ik vind Sevigny's stijl meer een reactie op stijl: Opening Ceremony laat, bewust of onbewust, zien hoe absurd de modewereld eigenlijk is. Meta kritiek. Wat waarschijnlijk weer prima in het wereldje van Drew Droege's Sevigny-creatie zou passen. Oh, the irony!

Droege' s personage ontstond toen hij een blonde pruik overhield na een voorstelling. Het begon als een grapje, maar een paar maanden na het plaatsen van ettelijke Sevigny-filmpjes op Youtube werd “Chloë” een hit. Hij zegt dat het niet zijn bedoeling was om Chloë Sevigny belachelijk te maken; hij vindt haar juist sympathiek. En dat begrijp ik wel, want ik deel die mening. Sevigny heeft ondanks haar idiote kledingkeuzes en excentriek gedrag, een je-ne-sais-quoi waardoor ik haar op één of andere manier fascinerend vind.

Daarom vind ik de impersonatie van Drew Droege ook zo goed; de pigeon-toed stance, de rare uitspraak van sommige woorden, de bestudeerde houdinkjes en blikken, de grootheidswaanzin (Droege's clips beginnen altijd met "Good evening America, I am Chloë Sevigny", zoals de president het volk zou adresseren). Het zijn maniertjes die je -misschien onterecht- meteen met haar in verband brengt.

Rest mij deze vraag: Hoe zou Chloë Sevigny's kledingkast eruit zien?

Categories popcultuur Tags Drew Droege Chloe Sevigny Go Fug Yourself Opening Ceremony

Dec 14, 2011

Greetings from Harlem, NY, Portrait of W.E.B. DuBois

Het is er al een tijdje. Die muurtekening aan het Oostvest in Haarlem. Vlakbij de Amsterdamse poort. Het viel me een tijd geleden ineens op. Vaak staan er auto's voor de beeltenis geparkeerd, waardoor een deel aan het zich wordt onttrokken.

Titel van het werk: Greetings from Harlem NY, portrait of W.E.B. DuBois.

Wie? Inderdaad. Niemand minder dan W.E.B. DuBois. Amerikaans socioloog, schrijver, burgerrechten activist, sociaal hervormer. Geboren in 1868. Behaalde als eerste African American een doctoraat aan Harvard. Doceerde geschiedenis, sociologie en economie aan de universiteit van Atlanta.

Hij was ook mede oprichter van de National Association for the Advancement of Colored People (NAACP). In 1910 opende deze organisatie onder leiding van DuBois een kantoor in Harlem, New York. De organisatie was erg succesvol tijdens de zogenaamde Harlem Renaissance. Het waren de hoogtijdagen van culturele rijkdom in de wijk.

DuBois was het niet eens met de stelling van zwarte leiders als Booker T. Anderson, die vond dat men moest integreren in de witte maatschappij. DuBois was van mening dat de zwarte gemeenschap zich beter kon segregeren.

Tijdens het heersende McCarthyisme in de V.S. Stond DuBois op een zwarte lijst. Hij werd geschaduwd en er werd een groeiend dossier over zijn activiteiten bijgehouden. Hij propageerde socialisme en stond sypathiek tegenover het communisme. Vooral de afwijzing van verschillen tussen rassen en standen sprak hem aan. Ook was hij tegen nucleaire wapens en dat maakte hem tot een vijand van de Amerikaanse regering.

W.E.B. DuBois reisde in 1961 naar Ghana, om daar te werken aan een ecyclopedie over de Afrikaanse diaspora. Omdat de Amerikaanse regering in 1963 zijn paspoort niet wilden vernieuwen, werd hij door de Ghanese autoriteiten tot Ghanees burger benoemd. Hij stierf er in 1963.

Het portret van W.E.B. DuBois als socioloog, het gedrag en de omgeving van mensen bestuderend, tegen de achtergrond van brownstones in Harlem, op een muur bevestigd in Haarlem; dat is een mooie slang die in z'n eigen staart bijt. De combinatie van gekopieerde vellen papier en spuitbus komen hier goed uit de spreekwoordelijke verf. Het is een krachtig beeld, een statement. Het hoofd is nageschilderd van een foto van DuBois. Toch is er tijdens het overzetten iets gebeurd; de blik is weemoediger geworden.

Het werk is gemaakt door GAIA, een veelbelovende streetart maker uit Brooklyn. Op zijn website zijn meer werken te vinden die de menselijke maat behandelen, zowel in architecturaal als sociaal opzicht.

Categories kunst sociologie Tags Haarlem W.E.B. DuBois McCarthyisme Booker T. Anderson sociologie GAIA Brooklyn streetart

Nov 17, 2011

Herinneringen

Herinneringen hebben vaak weinig met de realiteit te maken. We zijn er zo van overtuigd dat wat we ons herinneren zich ook echt heeft voltrokken, dat we wel eens vergeten dat we slechts een stukje in een enorme kaleidoscoop zijn, waarin de objectieve waarheid nogal eens aan het oog wordt onttrokken.

Ik heb herinneringen aan belevingen die nooit hebben plaatsgevonden. Een aantal jaren geleden wilde mijn moeder een bezoek brengen aan de Keukenhof. ‘O ja, daar zijn we eens met zijn allen naartoe geweest,” zei ik. “Nee”, zei mijn moeder, “daar hebben we jullie nog nooit mee naartoe genomen.” Ik snapte er niks van. Ik had toch die tulpen gezien en dat object van Martha Pan, drijvend in het water? Toen dacht ik ineens aan een poster die aan de muur van mijn slaapkamer hing toen ik klein was. Van de Keukenhof. Met dat drijvende witte ding. ’s Avonds, als ik in bed lag, verzon ik altijd verhalen, kijkend naar de posters aan de muur. Blijkbaar wilde ik vroeger zo graag naar de Keukenhof, dat ik voor mezelf een overtuigende fantasie in elkaar heb gezet. Dat is blijkbaar in een niet-bestaande herinnering omgezet. In de eerste klas van de lagere school hadden we eens een afscheidsfeest van onze juf die ging trouwen en met haar man naar Lisse verhuisde. Dat zal ook hebben meegespeeld.

Wát je je herinnert van bepaalde gebeurtenissen is ook interessant. Zowel ik als vriendin M hebben beide, zij het apart van elkaar -want andere basisschool- tijdens een schoolreisje de Flevohof bezocht. Ik vertelde haar hoe vreselijk saai het was geweest, omdat we ellenlange vragenlijsten moesten invullen over hoe bijen honing produceren, over het productieproces van kaas, gevolgd door een rondleiding in een botanische tuin. M herkende niks van de Flevohof in mijn verhaal, want zij waren naar de speeltuin aldaar geweest. Ik kon me de speeltuin slechts vaag voor de geest halen, we zijn daar als klas, voor we vertrokken, nog een kwartiertje neergezet. Zij wist niks van een educatief gedeelte. Internet bracht uitkomst. Vooral onderstaande zin vonden we hilarisch:

Vele exposities zijn voorzien van film-, video- en diapresentaties. In een flitsende diashow met geluids-  en lichteffekten zorgen ruim 4000 dia’s voor een indrukwekkende presentatie van Holland in al z’n verscheidenheid. De Holland Happening.”

M moest lachen: “Arme Yt, 4000 dia’s! En ik was fijn aan het schommelen in de speeltuin!”

Tot voor kort was ik ervan overtuigd dat ik een voorlichtingsfilmpje, dat indertijd op Sky Channel werd uitgezonden, compleet had verzonnen. Drie jongens willen een basketbal uit een electriciteitsstation halen. Daarbij worden er twee van hen geëlektrocuteerd. Googlen, Youtube, het leverde allemaal niets op. Behalve dan een filmpje over een jongen die een frisbee terug haalt uit éénzelfde station en vervolgens wordt geëlektrocuteerd. Aanvankelijk dacht ik dat ‘mijn’ filmpje over de drie jongens een combinatie was van twee factoren. Ten eerste was ik altijd vol ontzag wat betreft electriciteitsstations. Aan de rand van Dokkum stond er één. En tegenover ons huizenblok bevond zich het ‘pleintje’, een hele rits garageboxen, waarvan de gezamenlijke uitritten een betegeld oppervlak vormden. Daar speelde ik veel. Aan de andere kan van die garageboxen bevond zich een gebouw; een oude, in onbruik geraakte verwarmingsinstallatie. Daar kwam wel eens een bal op terecht. Een kwestie van fascinatie, herinneringen, vermengd met iets op tv. Dacht ik.

Tot afgelopen week. Ik zocht via Youtube het filmpje van de frisbee op.En wat stond er in de rij filmpjes rechts in de zijlijn? Juist. Een waarschuwingsfilmpje over drie jongens die een bal in een elektriciteitsstation zien liggen.

 

De gruwelijke eindscene uit de film Henry, Portrait of a Serial Killer, was in mijn hoofd een William Eggleston-achtige still geworden; een vaalblauwe, bebloede koffer aan de kant van de weg, in lang, gelig gras, perfect gecentreerd.

Niet dus.

Herinneringen bestaan veelal uit aannames; dat wat je ziet is wat je dènkt dat je ziet. De ervaring, of het object is reeds gekleurd door persoonlijke meningen, vroegere ervaringen, eerdere associaties.

In een serie tekeningen over Arnhem wilde ik in één beeld daarvan een gebouw tekenen, de zogenaamde Fun Castle. Een voormalig hoerenpand op de hoek van de Karel van Gelderstraat en de Spijkerstraat. Ik fietste er elke dag langs. Tijdens het tekenen van dit pand maakte ik alleen gebruik van mijn beeld van het pand; ik mocht alleen kijken wanneer ik er langs fietste. Het was een fascinerend experiment. De Fun Castle is echt als een soort kasteel opgezet. Veel raampjes, geglazuurde baksteen in motieven. Semi-traditioneel. Elke keer dat ik langsfietste werd ik geconfronteerd met het feit dat ik dàcht dat iets op een bepaalde manier in elkaar stak, maar dat had niks met de werkelijkheid van het pand te maken.

De link tussen werkelijkheid, persoonlijke herinnering en fantasie blijft vreemd en grillig. “The mind is a terrible thing to taste.”

donderdag, november 17th, 2011

Categories persoonlijk Tags keukenhof flevohof Sky Channel public information films Henry, portrait of a serial killer Arnhem

Jun 15, 2011

De Brinkmann Passage Haarlem

Elke stad kent lelijke plekken. Zoals het Zaailand in Leeuwarden. Verbouwing na verbouwing ten spijt; de middenstip van Leeuwarden blijft een nietszeggend plein, een leeg stuk met vooral veel tegels en beton. Dagblad de Gelderlander nodigde haar lezers zelfs uit om aan te geven wat zij de lelijkste plek in Arnhem vinden (en dat zijn er nogal wat).

Haarlem doet een duit in het zakje met de Brinkmann passage, een leegstaand overdekt winkelcentrum. Winkelend publiek is er al jaren niet meer te vinden. Het pand deelt een ingang met een bioscoop, maar dan heb je het wel zo’n beetje gehad met de bedrijvigheid.
Dat maakt een rondje Brinkmann absurd. Je ziet wel eens argeloze mensen naar binnen lopen die er vervolgens achter komen dat er niets te winkelen valt. Een enkele gedateerde decoratie geeft aan dat het ooit beter is geweest.

De Brinkmann passage is zwaar verouderd, een smet op het centrum. Een prominent pand aan de Grote Markt met één van de lelijkste puien die Nederland rijk is. Buiten werking gestelde roltrappen zijn gebarricadeerd met houten schotten.
Er zijn overigens twee roltrappen die nog wel werken, deze leiden naar de eerste verdieping alwaar een dependance van de gemeente Haarlem is gevestigd.
De Brinkmann passage zou een prima decor zijn voor de climax van een zombie apocalypse. Zoals in de film Dawn of the Dead. Overlevenden verschansen zich in een winkelcentrum; ze wapenen zich in de strijd tegen zombies en, op de valreep, een motorbende. Mooie omgeving om daar als ambtenaar elke dag met je broodtrommeltje doorheen te wandelen, op weg naar je werk.

Is een winkelcentrum als de Brinkmann passage nog in ere te herstellen? Staat een winkelcentrum dat consumenten als massa aanspreekt niet haaks op de niche-cultuur die op commercieel gebied onverminderd voortwoekert?

‘Authenticiteit, verantwoord en duurzaam’ is tegenwoordig een breed gedragen marketingmantra. Diensten en koopwaar worden gekoppeld aan termen als ‘beleving, ‘ervaring’. Het blijft natuurlijk vaak massaconsumptie, alleen iets anders verpakt.
In Berlijn is een paar jaar geleden de Marheineke Markthalle gerestaureerd; een oude nieuwe markthal. Produkten die er worden verhandeld zijn afkomstig uit de regio. De kracht van zo’n plek is de binding met het verleden, een vervolg op wat was.
Authenticiteit als imago. Dat imago is van levensbelang; Harrod’s in Londen is een bezienswaardigheid, net als de St. Paul’s Cathedral, of de Tower Bridge. De KaDeWe in West Berlijn is een upscale winkelkolos, met exclusieve artikelen. Een haven van welvaart.
Nederlandse winkelcentra zijn over het algemeen wat bescheidener.

Flashback: Doordat de groeiende Neêrlandse middenklasse zich aan het begin van de twintigste eeuw in nieuw opgezette voorsteden en buitenwijken vestigde ontstond suburbanisatie. Dit werkte decentralisatie van winkelconcentraties in de hand. De tram, en op termijn de auto, maakten grote afstanden makkelijk te overbruggen.
Echt zelfstandige winkeleenheden ontstonden pas na de Tweede Wereldoorlog, tijdens de wederopbouw. In stedenbouwkundige ontwerpen kregen winkelclusters weloverwogen een plaats toebedeeld.

Hoe anders ontwikkelde zich dit fenomeen in de Verenigde Staten. Waar in Nederland van overheidswege ondernemingen een plek kregen toegewezen, bouwden beleggende particulieren er zelf hun malls. Waar Nederlandse winkelcentra een verzorgende functie hadden, mikten de Amerikaanse clusters op automobiele bereikbaarheid. In Nederland, dat weinig goedkope grond had om grote winkelconcentraties op te vestigen, werd winkelbouw en de ontwikkeling ervan door verschillende commissies op de voet gevolgd. De Amerikaanse overheid zag te laat in wat de invloed van  wildgroei aan malls was; midden de jaren 1950 ontstonden zogenaamde ghost towns; omringende winkelcentra hadden het leven uit de stadskern gezogen. Dat was een opsteker voor alle betrokkenen bij de ontwikkeling van het retail-landschap in Nederland.

Bijna alle winkelcentra uit de wederopbouwperiode (vaak al verouderd voor ze werden opgeleverd) zijn onderworpen aan verbouwingen; hetzij cosmetisch, hetzij grondig op de schop genomen. Soms krijg je dan een raar allegaartje waar je verschillende decennia in terugziet, zonder dat het gebouw conceptmatig en in uitstraling nog een eenduidige architectonische uitspraak doet. We kennen allemaal wel een winkelcentrum in de buurt met toegevoegde plastic overkapping, lichte baksteen, veel wit en pastelkleurig plastic in het ontwerp, vrolijk bedoelde betegeling.
Deze elementen voeren je onherroepelijk terug naar eind twintigste eeuw, zoals hier te zien is. De fotoserie is gemaakt door Michael Galinsky; hij legde in 1990 winkelend publiek op de gevoelige plaat vast. Een prachtig stukje recente geschiedenis.
In de jaren 1980 bombardeerden Amerikaanse jongeren de mall tot hun vaste hangplek. Sociale interactie en economische motieven gingen hand in hand. Popsterretjes Debbie Gibson en Tiffany waren middels tournees langs verschillende winkelcentra tot heuse mall-queens uitgegroeid.

Het winkelcentrum als dorpsplein; onderzoekers en marketeers hadden jongeren al langer in het vizier als het om koopgedrag ging. De ontwikkeling van jongeren als markt op zich begon aan het begin van de 20e eeuw en kwam in de jaren ‘60 en ‘70 in de Verenigde Staten in een stroomversnelling.
Ook de opkomst van de counter culture, die de gevestigde orde en alles wat daarmee samenhing wantrouwde, werd ingezet als marketingstrategie. Non-conformistisch en rebels, versus hedonistisch en zorgeloos. Deze twee modellen van de jongerenmarkt waren van belang voor bedrijven die wanhopig naar nieuwe kanalen zochten om producten aan de man te brengen. Ook marketing- en reclamebureaus die zichzelf wilden presenteren als een gedegen partner hadden baat bij deze strategie.

Hedonistisch koopgedrag bleek makkelijk te implementeren in de V.S. na de Tweede Wereloorlog.
Aanhangers van de counterculture wantrouwden instanties en commercie in het algemeen. Om het aura van deze beweging commercieel gezien bij te houden lieten ondernemingen produkten elkaar steeds sneller opvolgen. Je zou verwachten dat een beweging als de counterculture (geportretteerd in de film Easy Rider) een revolutie zou ontketenen, een kentering zou kunnen bewerkstelligen in hoe men consumeerde. In plaats daarvan kwam de massaconsumptie in een stroomversnelling. Instant gratificatie won het van lang sparen voor een verstandige aankoop. Prosperity werd synoniem met materialisme.

“I love the smell of commerce in the morning”

–Brodie (Jason Lee) in de film Mallrats (1995)

Onze consumptiemaatschappij blijft er één met  de term ‘wergwerp’ hoog in het vaandel. Snel, gemakkelijk en goedkoop is nog steeds een magische combinatie. Toch is er al een aantal decennia een kentering waar te nemen die al langer mainstreamsgewijs doorsijpelt; kleinere ondernemingen die op verantwoorde wijze omgaan met werknemers, grondstoffen en het milieu. De geitenwollensokken zijn al lang uitgetrokken, het imago is opgekrikt. Men doet goede zaken.
Tegelijkertijd blijven grote spelers bouwen aan groter en meer. Stukken binnenstad worden neergehaald en helemaal nieuw opgebouwd, vaak met een winkelbestemming. Een aantal jaren geleden resulteerde dit in Arnhem in de bouw van het Musiskwartier (het Bartokkwartier, ook in de binnenstad, is nu in ontwikkeling) en een vergelijkbaar project wordt nu in het Haarlemse Raaks opgeleverd. Het concept van een winkel als Lush (waar zo weinig mogelijk met verpakkingen wordt gewerkt) spreekt mensen aan, maar ook Primark (een prijsvechter in kledingland die in 2008 werd beschuldigd van uitbuiting van werknemers) doet het prima in Nederland. In- en uitzoomen wat betreft bedrijfsvoering beweegt zich naast elkaar voort, en vloeit soms in elkaar over; zie de overname van de Body Shop door L’Oreal. Voor elk wat wils, om het plat te stellen.

Toen ik een aantal jaren geleden illustraties maakte voor de herstructurering van Downtown Crossing in Boston, waaronder een winkelgebied,  zag ik aan het bronmateriaal wat werd aangeleverd dat de architectuur niet zo heel erg  verschilde van wat er in Europa wordt verbouwd en bebouwd. De eenvormigheid neemt toe. En dat geldt niet alleen voor architectuur. Misschien dat we daarom authenticiteit en echtheid zo graag willen omarmen.
In Edmonton, Canada is een gigantische mall opgezet waarin zoveel vormen van vermaak en consumptie zijn verwerkt dat je nooit meer een stap buiten hoeft te zetten. De VPRO heeft in ‘de toekomst’ (een serie over de toekomst van verschillende facetten van de maatschappij waarin we leven) een aflevering gewijd aan deze funshopkolos. In rurale gebieden wordt dit fenomeen misschien als eventuele oplossing gezien, maar een soort winkel-Disneyland lijkt me een vervlakking. De omvang van onze ecologische voetstap waarmee we met z’n allen voortsjokken is toch al niet toe te juichen.

Of er nog -afdoende- redding is voor de Brinkmann passage waag ik te betwijfelen. Talloze ideeën en voorstellen zijn geponeerd (en worden nog steeds aangedragen) door evenzoveel mensen en groeperingen. Met inachtneming van de ontwikkelingen op het gebied van winkelconcepten en al wat dies meer zij, is deze desolate plek een dieptreurig voorbeeld van hoe je het vooral niet moet willen in een stadscentrum. Vooralsnog blijft de Brinkmann passage een winkeltombe, een spreekwoordelijk treinwrak waar je als ramptoerist op winkelsafari kunt gaan. Kijken kijken, niet kopen.

————————————————————————————————————————–

Geraadpleegde bronnen:
Winkelcentra: Categoriaal onderzoek wederopbouw 1940-1965, W. Galema en D. van Hoogstraten (Zeist, maart 2005)
Tweening the Girl: Crystallization of the Tween Market 1980-1996, N. Coulter (Simon Fraser University 2009. Dissertation)

woensdag, juni 15th, 2011

Categories architectuur Tags architectuur steden leeuwarden zaailand arnhem brinkmann passage haarlem marheineke markthalle berlijn suburbanisatie wederopbouw winkelcentra michael galinsky consumptiemaatschappij

Nov 25, 2010

Rat Girl: een boekrecensie

De frontvrouwe  van Throwing Muses, Kristin Hersh, heeft een prachtige autobiografie geschreven gebaseerd op een dagboek dat ze bijhield in 1985-86. Het boek heet ‘Rat Girl’; ik heb het gelezen en er een artikel over geschreven. Je kunt het lezen op Booktunes.

donderdag, november 25th, 2010

Categories boeken muziek

Swans 24-11-2010 Tivoli Utrecht

Vriendin J gaf me in juni als verjaardagscadeau een toegangskaartje voor het optreden van Swans in Utrecht, op 24 november. Dat werd flink wat data afstrepen op mijn kalender, maar gisteravond was het dan toch zover: de Swans speelden in een uitverkocht Tivoli.

Het voorprogramma bestond uit één man: James Blackshaw. Met zijn twaalfsnarige gitaar spon hij complexe en in tempo en maatsoort variërende melodieën. We arriveerden toen hij al een tijdje aan het spelen was, dus ik heb slechts twee of drie nummers meegepikt. Wat ik mooi vond was dat zijn gitaargeluid zo alomtegenwoordig leek te zijn dat hij geen instrumentale ondersteuning nodig had. Terwijl hij speelde moest ik denken aan de scène uit de film The Ice Storm, waarbij Christina Ricci met haar fiets door de bossen rijdt. Voorbijflitsende bomen, en daartussendoor straaltjes zonlicht die  stroboscopisch op je netvlies flikkeren.
Ik was niet bekend met zijn gitaarmuziek. Hij maakt momenteel deel uit van Current 93.

Daarna was het wachten op Swans. Er werd al van te voren gewaarschuwd voor het hoge volume, dus ik had mijn -bij de garderobe verkregen- oordopjes ingedaan. Wat eigenlijk wel jammer is, omdat je je dan voor je gevoel niet ‘midenin’ de muziek bevindt. Het alternatief is een week lang piepende oren. Zoals Ehren McGhehey zegt: “Safety first!”
De bandleden kwamen één voor één op en begonnen hun instrumenten te bespelen, waardoor er een geluids-exercitie werd opgebouwd die qua inspanning gelijk op ging met het rennen van tien rondjes om een voetbalveld en daarna honderd maal opdrukken. Michael Gira schopte en marcheerde. Hij hamerde op zijn gitaar in dat slopende, harde doch trage tempo waar Swans patent op hebben. Norman Westberg (die vanaf het begin deel heeft uitgemaakt van de Swans bezetting) deed zijn ding, onverstoorbaar. Christoph Hahn (die de Swans later kwam versterken en ook zitting heeft in Gira’s Angels of Light) bespeelde de slide gitaar. Phil Puleo (die meedeed aan de eindtour van Swans en Angels of Light) drumde, Chris Pravdica speelde bas (niet altijd hard genoeg naar Michael Gira’s wens: “LOUDER! LOUDER!”) en Thor Harris (ook Angels of Light) deed de percussie.

Swans brachten ouder werk ten gehore zoals YRP, Sex God Sex (één van mijn favorieten) en I Crawled. Ook recenter werk kwam aan bod zoals “Jim”, van Gira’s solo album “I am not Insane”.
Ik heb het nieuwe album nog niet zo goed beluisterd, maar Avatar (“We just wrote this. It’s called Avatar. It’s got nothing to do with the movie.”) klonk erg goed. De band excelleert in drones, maar wist deze tijdens het optreden vrij compact te houden. ‘Compact’ is een begrip wat in deze breed kan worden toegepast; de doorstompende uitloop van bepaalde nummers werd na verloop van tijd hypnothisch. Ik wist niet hoe lang men al aan het spelen was, ik wist niet hoe lang men nog doorging. Het kon me ook weinig schelen; als de band had besloten om nog vijf uur extra door te spelen, was ik gewoon blijven staan. De muziek van Swans heeft zo’n oerkracht, het enige wat er op dat moment toe doet is de muziek over je heen te laten komen. De golven herrie strippen je van alle afleiding, alle gedachten die tot voor kort in je hoofd rondmaalden.

Er werd een toegift gespeeld (“This one’s for the ladies”). De zaal was enthousiast. Ik vind het opvallend dat ik in mijn omgeving zo weinig mensen ken die Swans net zo goed vinden als ik. Want Swans zijn inmiddels een instituut, een band waar andere grote namen (om het even welke industriële metalband) schatplichtig aan zijn. Toen ik gisteravond om me heen keek zag ik al die mensen aandachtig luisteren. Ik zag mensen helemaal uit hun dak gaan. Het deed me goed.

Voor een impressie kun je hier terecht.

donderdag, november 25th, 2010

Categories muziek

Nov 22, 2010

Jasper Rietman

Ondanks alle narigheid die gepaard gaat met Facebook (privacy! flamewars!) komt er zo nu en dan iets voorbij waardoor ik blij ben dat ik nog er nog steeds een account heb. Via een Facebookvriend zag ik dat de illustrator Jasper Rietman onlangs op de kunststripbeurs in Utrecht de 1e prijs Stripgrafiek heeft gewonnen.

Zijn werk wordt bevolkt door robots, verdwaalde astronauten en bouwvakkers. Verlaten vlaktes met her en der meubilair. Huizen die de wet der zwaartekracht trotseren; dit alles vormt een universum waarin het surrealisme regeert.
Rietman studeerde in 2009 af aan de ARTEZ academie te Zwolle, richting illustratie.

Het werk waarmee hij de Stripgrafiekprijs won zou je kunnen zien als een fictieve landkaart, waarbij gebruik is gemaakt van isometrisch perspectief, gebaseerd op oude computerspelletjes. Het resultaat is een merkwaardige stad, waarin alles met elkaar in verbinding lijkt te staan. Gebouwen zijn zo uitgedokterd dat het net lijkt of alles in een oogwenk verder kan schuiven. De patronen die in de tekening zijn verwerkt versterken dit gevoel van voortdurende beweging.
De tekening is gemaakt op grijs karton, en met pennen ingekleurd. Die handmatigheid vormt een mooie combinatie met het digitale karakter van computerspelletjes.

Rietmans illustraties zijn afwisselend; dan weer propvol met architecturale vondsten, dan weer vlakten met bijna niets. Bijna. Want ook al zakt hoogbouw de grond in, of staat er alleen een paaseiland-achtig beeld in het landschap, hij weet een atmosfeer te scheppen waarin je het gevoel krijgt dat er van alles kan gebeuren.
Hier en daar doet zijn werk me heel in de verte aan de animatieserie Aeon Flux denken. Qua kleurgebruik zie ik overeenkomsten, maar waar de serie futuristisch is vormgegeven, houdt Rietman toch vooral een menselijke maat aan.

Op zijn website staat een tekening, onder ‘illustratie’ waarin zoveel gebeurt dat ik het een wonder vind dat het als geheel te behappen is. Dat komt vooral ook door de kleur, die hier van het papier knalt. Wat Rietman hier doet is zoveel invloeden in één ding verwerken dat het een plek wordt die je overal ter wereld zou kunnen tegenkomen. Barcelona. Istanbul. Cancún.
Het zijn de details zoals het mediterraans aandoende tegelwerk, de Amerikaanse oldtimer, in combinatie met een mevrouw in boerka, een man met een blauw gezicht en een rood gewaad met op de achtergrond robotachtige gebouwen die de hoogte in rijzen, die het geheel zo kosmopolitisch maken.
Het spelen met perspectief, de bouwsels met gezichten, Jasper Rietman weet er een organisch opgebouwd beeld met een kijkrichting van te maken. En die focus is belangrijk in een surrealistisch wereld waarin niets is wat het lijkt. Jasper Rietman weet wat hij doet.

Jasper Rietman

Categories illustratie kunst

Nov 16, 2010

Austin Stories

Stel je voor dat een tv zender zoals MTV niet zou bestaan. Dat is decennia lang het geval geweest. Toen MTV in de jaren ‘90 een Nederlandse tak kreeg buitelden de critici overelkaar heen; alléén muziek? Geen opvoedkundige kwaliteit? Er was iemand die stelde dat MTV het gezonde voedsel buiten beschouwing liet. Een zender die je alleen maar toetjes voorschotelt, dat is moreel toch niet te verdedigen!
MTV was hip; in Londen streek men in de wijk Camden neer, toen dé hotspot-in-wording. De invloed van de nieuwe zender was duidelijk voelbaar, pré breed gedragen en geconsumeerd internet. Het aanbod bestond tot die tijd uit Avro’s Toppop, Veronica’s Countdown en de Top 40. Maar die kaartten alleen de hits aan.  Een non-stop tv zender met hoofdzakelijk muziek kwam blijkbaar als geroepen.

Wat MTV ook deed was programma’s uitzenden die vooral jongeren aangingen; Beavis and Butthead, Daria, The Maxx, Aeon Flux. En Austin Stories.
Austin Stories was de eerste prime time sitcom die MTV uitzond. In 1997 volgden mijn vrienden en ik de bezigheden van de merkwaardige personages die de serie bevolkten. Zoals de titel al aangeeft speelt de comedy zich af in Austin, Texas. Laura, Chip en Howard, de hoofdpersonen zijn in het echte leven (of waren toen althans) komieken in het stand up circuit aldaar.

Laura House is degene met hersens, ze werkt bij de redactie van de plaatselijke krant. Ze weet dat ze slim is en dit uit ze door nogal cynisch uit de hoek te komen en haar collega’s rond te commanderen. Zo noemt ze haar baas in aflevering 8 ‘girl bladder‘ (hij drinkt heel veel water om ‘fit’ te blijven).

Brad ‘Chip’ Pope speelt Chip, een verwarde klungel. Zijn vriendin, Angie, dumpte hem, maar hij bivakkeert nog steeds in haar huis. Waar Chip ook over praat, elk gesprek voert uiteindelijk naar Angie. Chips zelfvertrouwen is nihil; ook al is hij voor Angie een allang gepasseerd station, en gaat ze met andere mannen naar bed, Chip hoopt nog steeds op een romantische hereniging.

Howard Kremer is een jongere versie van Seinfeld’s Cosmo Kramer; hij heeft geen huis, geen baan, geen geld, en scoort voortdurend bij de vrouwen.

Er gebeurt niet bijster veel in een aflevering, men hangt wat rond in Hernandez Café, al dan niet existentialistische gesprekken voerend. Wat dat betreft is de serie absoluut schatplichtig aan Richard Linklater’s Slacker, een film die Austin in één keer op de kaart zette als stad der vermakelijke zonderlingen. De film was een grote hit op Sundance in 1991 en werd er genomineerd voor de juryprijs.

Slacker is erg simpel opgezet; de camera volgt schijnbaar doelloos een aantal niet-werkende, rondhangende jongeren gedurende een dag. Het begint met een jongen (Linklater zelf) die van het busstation komt en een taxi naar huis neemt. Onderweg doet hij aan een ongeïnteresseerde taxichauffeur zijn theorie uit de doeken waarin niet gekozen opties in het leven een parallelle werkelijkheid worden. Nadat de jongen is uitgestapt wordt er een vrouw aangereden. De camera zoomt uit en heeft algauw een nieuw onderwerp in het vizier; de jongen die haar overreed. Hij blijkt haar zoon te zijn. Zo speelt de film zwaan-kleef-aan bij verschillende personen (een man die ervan overtuigd is dat er al veel langer maanlandingen worden gemaakt dan de overheid ons wil doen geloven, een meisje dat Madonna’s uistrijkje op straat probeert te verkopen, een jongen geobsedeerd door complottheorieën over de moord op John F. Kennedy) totdat het einde van de dag is verstreken en de volgende ochtend is aangebroken.

Slacker zette de toon voor de onafhankelijke fim in de jaren ‘90. Je ziet de invloed van Linklaters film terug in o.a. Clerks van Kevin Smith.

Toentertijd vond ik vooral de timing en montage van Austin Stories opvallend. Net als iemand doorheeft dat hij of zij wordt beetgenomen of afgezeken is en wil reageren wordt er geknipt. Terwijl iemand staat te hakkelen en iets wil zeggen begint een andere scène.

In aflevering 8 gaan Laura, Chip en Howard met vrienden een dagje zwemmen in de rivier. Laura treft grondige voorbereidingen, maar dat is geen garantie voor een geslaagde dag.
Neva, die samen met Howard is opgegroeid, gaat ook mee. Ze is verliefd op Howard, maar deze probeert haar aan Chip te koppelen, wat grandioos mislukt. Uiteindelijk bezwijkt Howard toch voor de charmes van Neva.

[Neva kust Howard]

Howard: “Neva, don’t do that!”
Neva: ‘Why?”
Howard: “You’re like my little sister, I watched you grow up!”

[Neva kust hem nogmaals]

Howard: “Or my cousin……one million times removed.”

Chip is kwaad als hij achter Howard’s verraad komt.

Chip: “What did you guys do?!”
Howard: “Nothing! She attacked me!”
Chip: “Uh huh huh…so, so you’re blaming her?”
Howard; “Yeah! And by the time I regrouped I already surrendered.”
Chip: “Look, I expect you to do this to a lot of people, but not to me.”
Howard: “No, I do it to you.”
Chip: “You know, I really liked her.”
Howard: “She likes you too, but it’ just…I changed her diapers, you know. I mean she…she feels comfortable around me.”
Chip: “It’s… hard to trust you.”
Howard :”But Angie you could trust?! She doesn’t even give you the time of day…and I’m here bustin’ my […] tryin’ to help you!”
Chip:”…”
Howard: “What are you lookin’ at…?”
Chip: “There’s like, this cool bird…”
Howard: “You’re mad at me and you can’t even pay attention!?”

In verband met muziekrechten is de serie nooit op dvd uitgebracht (Austin Stories op Facebook:“I guess old Smashmouth songs cost more than you think!”). Gelukkig is er iemand geweest die het grootste deel op Youtube heeft gezet. Ik kijk zo nu en dan een aflevering, voor old times’ sake. En omdat ik er blij van word.

dinsdag, november 16th, 2010

Categories film TV persoonlijk popcultuur

Nov 4, 2010

Games enzo

Eigenlijk ben ik wel de laatste persoon die iets over games zou moeten schrijven. Mijn niet al te extensieve ervaring met dit fenomeen is… niet al te extensief.

Laatst zocht ik op Youtube naar een glimp van het spelletje Skunny Kart. Ik speelde het 15 jaar geleden voor het laatst en de tune van dit lollige race-spelletje is altijd in m’n hoofd blijven zitten. Iemand heeft 8 minuten van deze ongein opgenomen en op internet gezet. Je moet aan allerlei verouderde systeemeisen voldoen voor je dit spel weer zou kunnen spelen. Dus ik stel me tevreden met een terugblik.

En toen het, in 1994, geen terugblik was, deed ik hetzelfde. Kijken hoe m’n vrienden level na level opklommen in Super Mario. Ik word nerveus van wat je allemaal moet doen om vooruit te komen in zo’n spel. Ik word helemáál zenuwachtig van Doom en aanverwante digitale rondzwervingen in zichtbaar heel lang niet gedweilde gangen en ondergrondse kelders.

Het eerste spel dat ik speelde was Pong, op de zwart-wit tv bij m’n speelkameraadje thuis. Hele middagen vermaakten we ons ermee. Eerst zo’n 20 minuten wachten tot het spel was geladen en dan gingen we los! Ik herinner me nog steeds die opwinding tijden het spelen van Pong. Prachtig vond ik het; de computer was nieuw, en het jaar 2000 was een toekomstgetal van Battlestar Galactica-achtige proporties. Door dit spel kreeg ik het idee dat ik de toekomst inging. Pong heeft alles wat een spel nodig heeft om te boeien, en dat op zo’n droge minimale manier dat het me niet verwondert dat er een tijd geleden een heropleving  plaatsvond. Het spel is tijdloos.

Tijdlozer dan bijvoorbeeld The 7th guest, een spel waarin je een moordenaar moet zien te ontmaskeren door puzzels op te lossen. Het speelt zich allemaal af in een nogal spooky villa, met gescripte intermezzo’s. Dat was toen nieuw. Ik vond het een spannend spel, daar niet van, maar toen ik laatst hiervan een trailer terugzag leek het allemaal een beetje lachwekkend, niet in de laatste plaats om de abominabele acteerspretaties. Het is een spel met statische puzzels ingebed in een eng verhaal.
Ik heb het spel nooit uitgespeeld. De puzzels waren te moeilijk.

Toch vond ik dat gemier met raadsels oplossen leuker dan race spelletjes. The Need for Speed werd gespeeld door elke jongen die ik kende. Ik vond het zó saai. En ik bakte er ook helemaal niks van. Het leek me leuk om met de racewagen de baan te verlaten, het gras in te rijden en dan te kijken wat er verderop, voorbij de racebaan was. Zo zijn spellen natuurlijk niet ontworpen, maar dat ging er toen bij mij niet in, geloof ik.

Op een avond zapte ik langs één van de Belgische tv zenders. De film Hotel Rwanda was net gestart. Naarmate het verhaal vorderde moest ik aan mezelf bekennen dat ik niet wist waar Rwanda precies lag. Ik was al een tijdje bezig met het spelen van topografiespelletjes, omdat ik net zo’n beetje alle hoofdsteden van de Amerikaanse staten uit m’n hoofd had geleerd. Aangezien de site waarop ik die spelletjes speelde topografisch gezien de hele wereld omvat, ging ik aan de slag met Afrika. En Oceanië. En Mexico. Zuid Amerika.
Veel computerspelletjes vernauwen je focus; als je intensief met om het even welke uitgave van het spel MYST bezig bent, valt alles om je heen weg. Topografie schuift het venster naar de wereld juist open. Ik begon films op te zoeken die te maken hadden met politieke situaties in bepaalde gebieden; Salvador, van Oliver Stone, waar James Woods als gesjeesde reporter in een opstand terecht komt. Of The Battle Of Algiers, een imposante film over de onafhankelijkheidsstrijd van Algerijnen tegen de Franse kolonisatie.

Een tijd geleden droomde ik over een afvalrace à la Expeditie Robinson gecombineerd met Google Street View. Stel je voor dat je een geavanceerde versie van Google Street View met het mijns inziens tanende Second Life zou kunnen combineren ( wat ik me van Second Life vooral herinner is het met stront besmeurde virtuele kantoor van John Edwards).
Je zou je eigen game op kunnen zetten op Pago Pago. Of in Edmonton. Maar aangezien ik met ‘een geavanceerde versie’ van Google Street view een compleet ge3D-d wereldstratenboek bedoel, zal dat er, in verband met de wet op de privacy, wel nooit komen.
Dus blijft het voor mij bij statische topografiespelletjes aan de ene kant, en raadsels oplossen in een game als MYST aan de andere kant.

Want MYST III Exile was een instant verslaving. Een studiegenoot had MYST II Riven gespeeld in de herfstvakantie, vele seizoenen terug. Het koude weer buiten had haar niet gedeerd, vertelde ze, want zij zat samen met haar vriendje achter de computer in een in zon ondergedompelde wereld. “Alsof we op vakantie waren.”
Merkwaardig, hoe computerspellen je zo naar een andere -niet bestaande- wereld kunnen transporteren. Als ik terugdenk aan mijn tocht door MYST III, voelt het inderdaad alsof ik daar echt was, kijkend naar  uitheemse bouwsels vanaf een rots, vliegend van de ene wonderlijke wereld naar de andere.

Persoonlijk hou ik niet zo van fantasy. Eigenlijk is dat een understatement. Ik vind het vreselijk. Sci fi kan (Blade Runner, William Gibson), maar voor fantasy ben ik waarschijnlijk te cynisch. MYST III gaat wel de fantasykant op, maar ik vind het geheel net duister genoeg om langdurig te kunnen boeien.

Ik bleef tot laat in de nacht wakker. Coördinaten krabbelend op diverse briefjes, notities makend om de door het spel gepresenteerde raadsels op te lossen teneinde hogere levels te kunnen bereiken. En wanneer ik dan ging slapen liep ik weer door de ondergrondse gangen, zoekend naar de oplossing.
Verontrustend was dat de invloed van het spel ook doorwerkte in het dagelijkse leven. Was een weg, of een doorgang door een hek afgesloten, dan nam ik geen andere weg, maar bleef kijken naar een oplossing, een code, een verborgen sleutel. Toen ik merkte dat ik me ietwat vreemd ging gedragen heb ik m’n uren achter de computer teruggeschroefd.

Zijn games met hun kleurrijke, niet bestaande flora en fauna, met hun helse taferelen van monsters, vuur en bloed, een uitvloeisel van wat Aldous Huxley ‘transportation’ noemt?
In zijn essay Heaven and Hell (1954) spreekt Huxley van de antipoden van de geest; hiermee bedoelt hij die delen van de geest die men kan bereiken door vasten, vitaminegebrek, zelfkastijding.  Deze uithoeken van onze hersenen zijn biologisch gezien nutteloos. Tegenwoordig kan men deze krochten van de hersenpan bezoeken door middel van geestverruimende drugs, zonder gevaar voor het eigen welzijn (mits goed gedoseerd etc.).
Transportation vindt plaats doordat men wordt afgeleid van het dagelijkse bestaan door bijvoorbeeld een mooi schilderij, of de schittering van een edelsteen. Dit raakt aan deze antipoden en brengt de mens in een bepaald soort vervoering. Denk maar eens aan een kampvuur.
Huxley vindt dat we tegenwoordig zo overvoerd zijn met dit soort ervaringen dat het steeds moeilijker is om eenzelfde extase te bereiken.

“Familiarity breeds indifference. We have seen too much pure, bright colour at Woolworth’s to find it
intrinsically transporting.”

Heaven and Hell is samen met zijn Doors of Perception gebundeld als één uitgave. In Doors of Perception gaat Huxley dieper in op het geestverruimende gegeven; hij neemt LSD en maakt vervolgens notities van wat hij voelt en ziet.

De role-playing spellen en dito virtuele gemeenschappen op internet geven ons de mogelijkheid ons bijna permanent terug te trekken uit het ‘gewone’ leven. Herinneringen aan niet bestaande plaatsen en gebeurtenissen overkwamen me toen ik laatst op Youtube een filmpje vond over MYST III. Herinneringen aan dromen, denkbeelden, fantasieen voelen niet raar, die zijn van jezelf, ze zijn ontsproten aan je eigen geest.  Maar spellen als MYST creëeren een droomachtige ervaring die gek voelt om aan terug te denken omdat het een niet bestaande werkelijkheid is, bedacht buiten jezelf.

Ik denk dat ik MYST IV binnenkort eens ga uitproberen.

donderdag, november 4th, 2010

Categories persoonlijk popcultuur

Oct 7, 2010

Booktunes

Nog even en het echte herfstweer doet weer haar intrede. Kou, neerslag. Ik vind het verschrikkelijk vervelend om met zo’n belachelijk stijlloze regencape door de regen te moeten fietsen, maar goed, dat liever dan met druipende kleren aan je lijf gekleefd je werk te moeten doen. Ik overweeg zelfs een regenbroek aan te schaffen, terwijl ik dit door mij gehate kledingstuk (ik word altijd zo klam van regenpakken) sinds de middelbare school heb afgezworen.
Ik weet niet hoe het vandaag de dag met klaslokaalmeubilair is gesteld, maar toen ik de havo frequenteerde (en frequenteren deed ik, ik was erg braaf) waren lokalen ingericht met van die nephouten stoeltjes en tafeltjes. Als je daar met je vochtige broek op ging zitten begonnen zulke stoeltjes vies te dampen en kwam er zo’n smerige, met niets te vergelijken lucht vrij. De tafeltjes gaven af, en bij het gaan van de bel had je een bruine vlek op je onderarm, vergezeld van eerdergenoemde stank.

Denk ik aan de havo, dan denk ik ook aan de ellenlange boekenlijsten die ik heb doorgeploegd. Jan van der Noot, Rhijnvis Feith, Emile Zola, Moliére, Martin Amis, J.G. Ballard, Goethe. Dociel als ik was, las ik alle boeken, ik was te schijterig om alleen op Cliffsnotes af te gaan.
Lezen deed ik altijd al graag, en nu het kwik binnenkort weer rap richting nul zal gaan, zie ik voor mijn geestesoog mijn huiskamer, mijn dierbare dekentje opgevouwen op mijn zitbank (ik noem het ‘het dekentje dat alles zag’ omdat ik het meegenomen had naar New York, naar de inauguratie van Obama, het heeft die dag een kindje warm gehouden, de droge grassprieten van Washington DC heb ik nog maanden van het dekentje moeten plukken) en een glaasje port met kaas of speculaas op de salontafel.
De schemering valt in, buiten is het koud, maar ik zit binnen met mijn neus in een boek en ik ben me van niets anders bewust dan het verhaal en de muziek op de achtergrond.

Ergens in 2001 begon ik aan het boek House of Leaves (Nederlandse vertaling: Het Kaartenhuis) van Mark Z. Danielewski. Tegelijkertijd luisterde ik onafgebroken naar albums van Biosphere, Substrata in het bijzonder. House of Leaves is een horrorvertelling, waarin verschillende verhaallijnen steeds meer in elkaar verdraaid raken. Gelardeerd met documenten, doorgekraste zinnen, persoonlijke brieven en een onorthodoxe lay-out, was het een boek zoals ik nog nooit had gelezen.

Ergens op InfiniteSummer wordt House of Leaves als ‘Infinte Jest Light’ betiteld. Persoonlijk vind ik de boeken te veel van elkaar verschillen om dat statement te substantiëren. Waar Infinite Jest een hogere inhoudelijke dichtheid heeft, leunt House of Leaves meer op vorm en stijl.
Het boek van Danielewski heeft een plot en kan min of meer als afgerond verhaal bekeken worden. Infinite Jest geeft je het idee dat je je voortdurend middenin het boek bevindt, ook al heb je het uitgelezen. Ik las Infinite Jest ná House of Leaves. Als Infinite Jest fan weet ik niet of House of Leaves een tweede leesronde zou kunnen doorstaan. Maar goed; toen ik het las was het nieuw, spannend en vooral ook eng.

Ik werd zo opgeslokt door het boek dat ik het thuis heb gelaten toen ik die zomer op vakantie ging naar Praag. De nummers “As the sun kissed the Horizon”  en “Poa Alpina” vallen voor mij naadloos samen met de scène -ik noem het een scène omdat ik de passage uit het boek als een korrelig super 8 filmpje voor me zie- waarin  Will Navidson, een man die met zijn gezin een nieuwe start maakt, hun nieuwe huis monstert.
De poolgeluiden die Geir Jensen in zijn geluidslandschappen verwerkt vind ik passen bij de koude diepten die het huis blijkt te bevatten.
Danielewski was tijdens het schrijven van zijn roman zelf ook bezig met muziek. Zijn zus, Anne Decatur Danielewski, bracht onder haar artiestennaam Poe een album uit dat een tegenhanger was van bovengenoemd boek.

In film werkt muziek versterkend. Ik vind dus dat dit ook bij boeken het geval is. En ik ben niet de enige. Sinds kort is er Booktunes, een website die geheel gewijd is aan literatuur waarin muziek een prominente rol speelt. Booktunes brings the music to your favourite novel, staat op de site te lezen. Er wordt aandacht besteed aan werk van Haruki Murakami en Nick Hornby en de laatste roman van Stine Jensen, Dokter Jazz, wordt besproken. Ook Ego Faber van Maurice Seleky en The Red Album of Asbury Park Remixed van Alex Austin zijn op de website te vinden. Bij elk boek dat wordt besproken, is een inventarisatie van de muziek gemaakt en deze wordt als playlist aangeboden.

Ik heb inmiddels drie boeken van Murakami gelezen (Dance Dance Dance, Kafka on the Shore en Norwegian Wood). Als ik over deze romans nadenk zijn er veel passages die om voorrang strijden; de herinnering van de naamloze hoofdpersoon in Dance Dance Dance aan het meisje met wie hij in een hotelkamer overnachtte. Kafka, die, terwijl hij op de vlucht is, in z’n eentje een tijdje in een berghut woont. Toru Watanabe die in Norwegian Wood samen met Midori op het dak van haar huis wijn drinkt en de brand bij de overburen gadeslaat. Of de oude Nakata, die samen met de truckchauffeur Hoshino in een hotelkamer zit, beiden in de ban van de steen die tussen hen in ligt. De relatie tussen Reiko en Toru Watanabe, de relatie tussen Oshima en Kafka. Kafka en Miss Saeki.

Murakami beschrijft terloops de meest absurde taferelen, die ik in elk ander boek als belachelijk zou hebben afgedaan. Pratende katten bijvoorbeeld, of soldaten die zich al decennia lang in een ondoordringbaar woud ophouden. Maar Murakami overtuigt. De seksscènes worden uitgebreid beschreven, vaak ligt er een Oedipaal motief aan ten grondslag. Maar net als bij elk ander menselijk contact, gaat ook seks hier vooral over contact maken. Het zoeken naar elkaar, of naar iets wat zich mogelijk in de ander ophoudt, een bezegeling daarvan.

In Murakami’s boeken wordt de populaire cultuur verweven met vervreemdende elementen, humor en verwijzingen naar werk van andere auteurs. Achter zijn terloopse schrijfstijl gaat een complexiteit schuil die alle ingeslagen zijpaden met elkaar verbindt. Het feitelijke begrijpen van Murakami’s romans vind ik vooral een gevoelskwestie. Zoals Kristin Hersh zingt in het nummer “Spring”; “If you squint, you can see it, when you limp, you can reach it.”

Na mijn kennismaking met Erik de Loor, aan wiens brein Booktunes is ontsproten, heb ik “The Red Album of Asbury Park Remixed” van hem geleend. Het verhaal speelt zich af aan het eind van de jaren ‘60: Sam Nesbitt komt terug uit Vietnam. Hij arriveert thuis, in Asbury Park, New Jersey, een badplaats op z’n retour. Sam ambieert een carrière als rockster. Hij steekt veel tijd in zijn dagdromen hierover. Wanneer hij als installateur van tv antennes de daken van zijn clientèle moet beklimmen, bedenkt hij z’n liedjes ‘tussen de vogels’ zoals hij het zelf zegt.

Sam’s leven is doorspekt met geweld, en dat beperkt zich niet alleen tot Vietnam. Zijn eigen leefomgeving wordt bevolkt door dieven, gangsters en moordenaars. Sam Nesbitt probeert als jonge muzikant te overleven, maar dat valt nog niet mee. Zeker niet als je je inlaat met foute figuren zoals Tillie, of Mr. Peanut. En wat te denken van twee verschillende meisjes waar je maar niet tussen kunt kiezen? Genoeg om over te filosoferen dus, voor Sam. Soms probeert hij pro-actief zijn leven te beheren, maar vaak laat hij zich meevoeren door bepaalde gebeurtenissen, waarvan je je kunt afvragen of zijn gedeeltelijke laissez-faire houding wel zo handig is.

Alex Austin heeft zelf een tijd in New Jersey gewoond, niet ver van Asbury Park. Hij maakte het verval van het ooit populaire vakantieresort mee, maar als jongere zag hij de Jersey Shore, toen een broedplaats voor artiesten die later naam maakten (Bruce Springsteen), als een kans om zich te vestigen als muzikant. Dat bleek niet voor hem weggelegd, maar de ambitie van diverse jongelui om groot te worden in de muziekindustrie komt ook in het boek duidelijk terug. Iedereen zat wel in één of ander bandje. Er hing iets in de lucht; als je maar hard genoeg werkte en talent had, ging je het vast en zeker maken.

Het verval van Asbury Park en de worsteling van Sam Nesbitt vallen samen. Sam probeert boven de problematiek uit te stijgen door zich op zijn muziek te concentreren. The Red album of Asbury Park is grimmig, maar ook sfeervol. Bijbehorende  muziek: The Doors, Donovan, Rolling Stones, Led Zeppelin, Jimi Hendrix.

Booktunes is een aardig archief aan het opbouwen, en breidt zich nu ook uit naar het buitenland. Inmiddels werk ik zelf ook mee; ik maak de portretten van de schrijvers.

Met de koude herfstavonden in het vooruitzicht stel ik me, naast dat glaasje port en m’n dekentje op de bank, ook een hele stapel boeken voor (waaronder Diamond Star Halo van Tiffnay Murray en King Dork van Frank Portman) waar ik doorheen ga ploegen.

donderdag, oktober 7th, 2010

Categories boeken muziek

Jul 6, 2010

The Shield vs The Wire

*May contain spoilers*

Je kent het misschien wel. Je praat met iemand over tv series en je zegt dat je The Shield een gave serie vindt. De steevaste wedervraag is altijd: “Heb je The Wire weleens gezien dan?” Super irritant vond ik dat. Alsof The Wire een betere serie zou zijn dan The Shield. Pffft.
Natuurlijk is The Wire ook zo’n serie waarvan ik wist dat ik ‘m uiteindelijk zou gaan kijken, maar dit terzijde.

Een niet representatieve, onbedoelde poll mijnerzijds op Facebook liet zien dat veel vrouwen The Wire verkozen. Dat heeft zijdelings te maken met de aantrekkelijker acteurs. ‘En het minder hoge shoot em up gehalte’ typte ik er bijna achteraan. Waarmee ik zou impliceren dat vrouwen niet van aktieseries zouden houden en alle stereotypen die daarmee samenhangen. Zoals de Amerikanen het zo mooi uitdrukken: I ain’t touching that with a ten foot pole.

Ik kwam per toeval eens terecht op rtl5. Het was een doordeweekse avond. Op een tijdstip waarvan je vermoedt dat alles wat Nederlandse commerciëlen nog te bieden hebben betsaat uit primaire en secundaire geslachtsdelen.

Toch bleek er iets bekijkwaardigs; The Shield. Ik werd meteen meegezogen. Eerst probeerde ik elke week te kijken, maar door de voortdurende wisseling van programmering deed ik wat vele anderen deden en waardoor o.a. HBO zo’n ontzettend succes is geworden; ik kocht de seizoenen op dvd.

Tv-series achterelkaar op dvd kijken is geweldig. Als ik vroeger had geweten dat ik als volwassene zo nu en dan achterelkaar enorm veel gave tv zou gaan kijken, was ik de nachtjes slapen gaan afstrepen. Mijn enthousiasme voor film en tv begon met zo’n beetje met de film “Goonies”.

Goonies was een van de eerste videofilms die ik keek. Het was op een verjaardagsfeestje bij een klasgenootje. Doodsbang was ik geweest, omdat ik zeker wist dat het een heel enge film was. De bordkartonnen Sloth had ik gezien in de etalage van de videotheek Vifi2000 en elke keer als we daar langsreden met de auto keek ik uit voorzorg de andere kant op.
Natuurlijk was de film in kwestie totaal niet eng, alhoewel ik heel trots op mezelf was dat ik de aftiteling had gehaald. Kon ik in de klasgenotenboekjes eindelijk “Stranded” vervangen door “Goonies”. Stoer!

Niet dat ik nog steeds met m’n handen voor de ogen tv kijk. Dat is trouwens niet helemaal waar; ik deed dat bij Se7en, The Ring 2 (!) en Sex and the City 2. Die laatste was uit puur afgrijzen.

The Shield speelt zich af in het fictieve Farmington District in Los Angeles. Een omgebouwde kerk, dat in de volksmond the Barn wordt genoemd, doet dienst als politiebureau.
Het Strike Team, geleid door Vic Mackey, is in het leven geroepen om het bendegeweld in te perken. Dit team is gebaseerd op de Rampart Division CRASH Unit (en het schandaal waarin deze divisie verwikkeld was). Het doel heiligt de middelen, de leden van het team buigen en breken regelmatig de regels om gangsters achter de tralies te krijgen. De unit staat onder grote druk om de misdaad in recordtijd te laten dalen; alleen dan is het voortbestaan van het Strike Team te verantwoorden. Deze situatie zet de toon voor corruptie onder de leden van het team.

Vic is een ruwe bolster blanke pit type, een arrogante agent met vrienden hogerop, die er geen been in ziet om een bendelid met zijn gezicht op een hete inductieplaat te drukken teneinde hem informatie te onfutselen. Voor hulpbehoevende vrouwen en kinderen daarentegen speelt hij de redder in nood.
Shane Vendrell is een redneck en een onstabiele factor in het team. Hij voelt zichzelf snel in zijn eer aangetast en lost dat op door met zijn vuisten te praten. Curtis Lemansky, Lem, is een surfertype met een penning. Hij is de spierkracht en het meest gewetensvol. Ronnie Gardocki, de electronica-expert, blijft in het begin wat op de achtergrond, later verandert dit wanneer gangsters wraak nemen met betrekking tot het inductieplaatincident. Hij blijkt de meest stabiele van het stel.

Meteen in de eerste aflevering betreedt het team een moreel ambigue wereld door hun collega Terry Crowley dood te schieten tijdens een inval bij een drugsdealer. Crowley verzamelde belastend materiaal over het Strike team in opdracht van de hoofdispecteur David Aceveda.
Het is een koelbloedige afrekening van Mackey’s kant, en het is interessant om te zien dat deze zak hooi toch zoveel sympathie weet te wekken onder de kijkers. Ik merkte dat bij mezelf ook. Wanneer Jon Kavanaugh van Interne Zaken in het vijfde seizoen de gangen van het Strike Team nagaat, merk je toch dat je hevig op Team Mackey zit te wedden.

David Aceveda: “He’s Al Capone with a badge!”
Claudette Wyms: “Al Capone gave the people what they wanted.”

De aflevering van The Shield bevatten meerdere verhaallijnen. Verschillende personages worden gevolgd, zoals Dutch Wagenbach, een slungelige rechercheur van middelbare leeftijd in een slechtzittend pak, en Claudette Wyms, zijn partner, een vrouw die voor niets of niemand uit de weg gaat.
De hoofdinspecteur van het bureau, David Aceveda, ambieert een functie in de lokale politiek. Hij begeeft zich in een wereld waar hang naar status en politieke spelletjes aan de orde van de dag zijn. Het moeras van belangengroepen, invloedrijke projectontwikkelaars, en regelrechte chantage maakt waar het uiteindelijk om gaat -een leefbare omgeving voor de bewoners van Farmington- moeilijk te bewerkstelligen.

Dat wordt al pijnlijk duidelijk wanneer Aceveda nog gewoon in the Barn werkt. Ben Gilroy, Aceveda’s baas, heeft een affaire met een vrouw die percelen in een bepaalde buurt opkoopt om er vervolgens mee te speculeren. Statistisch gezien klopt de politie-inzet in die buurt, maar in de praktijk schiet het toezicht ernstig tekort. Gilroy weet dit; hij kan een schoonmaakactie afkondigen mocht het geweld de spuigaten uitlopen. De vele leegstaande panden worden dan gesloopt en de nieuwbouw wordt voor riante prijzen verkocht. Het is een harteloze manier om winst te maken.

“In politics, deception is reality.”

Het camerawerk is ‘op de huid’, als toeschouwer kijk je mee over de schouder van degene die in beeld is. De camera staat geen moment stabiel en imiteert zoveel mogelijk de menselijke kijkrichting; wanneer een eventuele verdachte wordt gesignaleerd in de omgeving, zoomt de camera eerst extreem in, om vervolgens ook de omgeving en dus overzicht te tonen waarin de verdachte zich bevindt. Het beeld host en gaat op en neer gedurende een achtervolging. Zo voelt The Shield direct en rauw aan. Je krijgt veel van de buurt te zien en je voelt als het ware de drukkende hitte.

Wat Mackey en zijn mannen allemaal flikken, een roofoverval op een Armeens geldtransport incluis, is soms wel erg fantastisch. Net als in ER is de actie übergeconcentreerd, niemand kan onder zo’n enorme druk werken en er een privéleven op nahouden.

Ook The Wire gaat over politieagenten en bendes. Het eerste seizoen staat in het teken van een speciale eenheid die door middel van afluisterapparatuur (wire) een grote drugshandelaar, Avon Barksdale, in de kraag wil vatten. Dit proces verloopt heel wat minder sensationeel dan in The Shield; namelijk wachten en surveilleren tot er bruikbare informatie binnenkomt.
Cedric Daniels, een consciëntieuze politieman, wordt tot leider van de eenheid benoemd; hij geeft leiding aan o.a. Jim McNulty, een goede agent, maar ook een ongeleid projectiel.

Binnen het politieapparaat in Baltimore kleurt men niet altijd binnen de lijntjes. Een aantal rookies, te weten Thomas Hauk, Ellis Carver en Roland Pryzbylewski (de laatste maakt een carrière-switch; in seizoen 4 is hij onderwijzer) wreken zich op hangjongeren, waardoor de explosieve sfeer in West Baltimore escaleert.
Formulieren worden ingevuld met niet bestaande getuigen zodat onwettig/ongeoorloofd verkregen bewijs toch zijn doorgang naar de rechtszaal vindt.

Willen agenten oprecht misdaad bestrijden of liggen eigen motivaties ten grondslag aan het bestrijden van criminele elementen?
Mackey en zijn team hebben schijnbaar plezier in intimidatie en chantage van gangsters. McNulty vindt het belangrijk om criminelen slimmer af te zijn. Hij behandelt misdaden als een persoonlijke puzzel (‘They don’t get to win, we get to win!’). Dutch Wagenbach hoopt op een zaak van Ted Bundy-achtige proporties, en draaft qua terminologie nogal eens door in zijn analyses.

Elk seizoen van The Wire belicht een bepaald aspect van de samenleving. In het eerste seizoen zijn dat de projects aan de westzijde van Baltimore, alwaar Barksdale zijn waar slijt. Alle gangsterrap ten spijt; er wordt getoond hoe eentonig en slopend het straatleven is.
Niet alleen het perspectief van de politiemacht wordt getoond, maar ook dat van de dealers en de verslaafden. Zo vormt The Wire een sociaal drama, een epos, waarin verschillende verhalen met elkaar worden verweven zodat je een overzicht van Baltimore als stad krijgt. Ook is het goed opletten geblazen; even naar de keuken lopen voor een kop koffie is niet aan te raden want je mist algauw een detail of twee. Het denkwerk wordt aan de toeschouwer overgelaten.

Seizoen 2 gaat over de havenwerkers, een uitstervend ras. Seizoen 3 belicht een nogal onorthodoxe aanpak van het drugsprobleem in East Baltimore. Raadslid Tommy Carcetti stelt zich verkiesbaar als burgemeester, hij komt in hetzelfde wespennest terecht als Aceveda in The Shield. Seizoen 4 en 5 gaan respectievelijk over het schoolsysteem en de gedrukte media; de redactie van de Baltimore Sun.

Een opvallend personage binnen de seizoenen van The Wire is Omar Little. Omar is een homoseksuele gangster die de Barksdale organisatie regelmatig berooft van geld en drugs. De drugs gooit hij weg. Omar is een free agent, een renegade. Zijn vriendje wordt als wraak op een vreselijke manier ter dood gebracht; zijn lijk wordt gedumpt op het dak van een auto. Vanaf dan zijn “B” en Little gezworen vijanden. Wanneer Barksdale het veld moet ruimen voor de nieuwe kingpin Marlo Stanfield, gaat Omar door met zijn activiteiten. Zelfs een gebroken been na een vluchtpoging van een balkon houdt hem niet tegen.

Zowel The Shield als The Wire staan bol van de memorabele scènes. In het derde seizoen van The Wire koopt Snoop, lid van Marlo Stanfield’s bende, een spijkerpistool. De verkoper informeert haar over de verschillende modellen en ze neemt het exemplaar dat hij adviseert. Ze geeft de verkoper een stapel biljetten met de woorden: “This should do it”. De verkoper reageert verschrikt, verwijst haar naar de kassa en zegt en dat ze hem te veel geld geeft. Snoop antwoordt: “Nah man you go handle that for me man. And keep the rest for your time.” Wanneer de verkoper protesteert zegt ze: So what man, you earned that buck like a motherfucker, man. Keep that shit.”
De (hilarische en tegelijkertijd beangstigende) monoloog die de verkoper duidelijk maakt wat voor type Snoop is en waar ze voor staat, geeft aan dat hier twee mensen met elkaar praten wiens werelden mijlenver van elkaar verwijderd zijn.

“Cadillac of nailguns. He meant a Lexus, but he ain’t know it.”

In het vijfde seizoen van The Shield speelt Forest Whitaker een agent van Interne Zaken, Jon Kavanaugh, die onderzoek doet naar de malafide praktijken van het Strike Team. Het inrekenen van Mackey wordt een ware obsessie voor Kavanaugh en hij doet hetzelfde waarvan hij Mackey beschuldigt: hij laat de regels voor wat ze zijn en wendt alles aan om het team in te rekenen. Whitaker speelt de persoon Kavanaugh met verve, griezelig en dreigend. Op het moment dat hij beseft dat de arrestatie van Mackey hem door de vingers glipt volgt er een woedeuitbarsting waarbij je je afvraagt of deze man überhaupt nog zal kunnen functioneren binnen het politiecorps.
Kavanaugh intimideert Lemansky, lid van het Strike Team zodanig dat deze zich gedwongen voelt afluisterapparatuur te dragen. Hij is betrapt met een pakket heroine, en Kavanaugh gebruikt dit feit om een wig tussen de leden te drijven. Wat volgt is een subliem kat en muisspel, waarbij Lem een vechtpartij met Vic initieert waardoor deze erachter komt dat Lem ge ‘wired’ is. Vanaf dat moment probeert het Strike team door te werken zonder dat er iets belastends aan het licht mag komen. Een mooi voorbeeld hiervan is de scène waarin Shane Vendrell een vieze mop vertelt, zo getimed dat Lem net genoeg tijd heeft om via een tekstverwerkingsprogramma op een laptop Mackey te informeren op over het hoe en wat van de afluisterapparatuur.

Qua karakterontwikkeling en de privépersoon achter de agent vind ik de personages in The Wire soms wat dun. Vooral in het eerste seizoen. McNulty scharrelt met de openbaar aanklager, Rhonda Pearlman. Wanneer zij hem, na een van hun avonturen tussen de lakens, vraagt waar hun verhouding heengaat, antwoordt McNulty dat hij het weer wil proberen met zijn vrouw. Voor de kijker lijkt deze motivatie uit het niets te komen.
In latere seizoenen krijgen de karakters meer volume, maar vooral in het begin van The Wire lijken de privélevens van de politiemensen bijzaak, een noodzakelijk kwaad en soms ook nogal clichématig (McNulty de zuipende Ier bijvoorbeeld). De misdadigers daarentegen lijken inhoudelijk gezien meer allround.

En drinken Amerikaanse agenten echt zoveel? De nachtelijke bijna-coma-zuipsessies van McNulty met zijn collega Bunk zijn zo regelmatig dat het verwonderlijk is dat ze ‘s ochtends hun bed uit kunnen komen.

Een scène waarin de persoonlijke kanten van karakters in The Wire op een komische manier samenkomen speelt in het vierde seizoen. Hauk en Carver (beide van Daniels’ voormalige surveillance team) plus vriendinnen, komen in de hal van een bioscoop Bodie en Poot tegen, ook beide met vriendin. Bodie en Poot zijn drugrunners voor Barksdale. Ze nemen vorsend elkaars vriendinnen op. Je ziet ieders hersenen op volle toeren draaien, niet wetend hoe zich buiten de professionele situatie te moeten gedragen.
“See you tomorrow”, zegt Bodie, waarna hun wegen scheiden.

De privélevens van personages in The Shield vind ik al vanaf het begin meer geïntegreerd in het geheel. Vic Mackey steelt geld van misdadigers, zijn motivatie hiervoor zijn zijn drie kinderen waarvan er twee autistisch zijn, hun opleiding en begeleiding kost veel geld. In het gezinsleven schiet hij hopeloos tekort. Hij laat zich gelden op straat, maar daarbuiten weet hij niet wat hij met zichzelf aanmoet. Hij denkt dat hij zijn kinderen helpt door het geld achterover te drukken. Maar als er onderzoek wordt gedaan door IZ, komt zijn gezin ook onder een vergrootglas te liggen. De druk om alles te verdoezelen wordt alleen maar groter. Hij is nog verder van huis, letterlijk en figuurlijk.
Het team valt langzamerhand uitelkaar. Het dieptepunt wordt bereikt wanneer Shane Lem doodt met een hangranaat. Aceveda heeft Shane een leugen voorgehouden en Shane is er sindsdien van overtuigd dat Lem het Strike Team erbij zal lappen. Wanneer Mackey verneemt wat Shane heeft gedaan volgt een emotionele ontknoping.
Het Strike Team gaat zo over de morele schreef dat ze uiteindelijk alleen elkaar nog hebben. Ook dat blijkt een illusie.

Waar The Shield inzoomt, laat The Wire het grote geheel zien. In The Wire worden enorm veel personages geïntroduceerd, gebaseerd op echte mensen uit Baltimore, en hun levensloop wordt door de 5 seizoenen vervlochten. De losse eindjes worden niet altijd keurig afgehecht, wat de serie een realistisch karakter geeft, een maatschappij in flux. Bij The Shield zijn aanwijzingen vaak wel een onderdeel van een clou, er gebeurt niets voor niets. Daarmee worden seizoenen echt ‘afgerond’ en werkt de serie echt als zodanig; een serie. The Shield focust vooral op het politieapparaat, The Wire neemt ook de kant van de criminelen in ogenschouw. The Wire doet me zo nu en dan denken aan het werk van de fotograaf  Camilo José Vergara, die verschillende stedelijke onderwerpen jaar na jaar op de gevoelige plaat vastlegt, zodat er een documentair archief ontstaat, een sociaal portret.

De rechercheur Kima Greggs is lesbisch, maar daar wordt binnen het surveillanceteam van McNulty en Daniels niet echt een probleem van gemaakt. De strenggelovige, homoseksuele Julien Lowe heeft het aanzienlijk moeilijker in the Barn. Hij worstelt met zijn geaardheid en probeert te veranderen door middel van gebed en hulp vanuit de kerkgemeenschap. Tijdens een zogeheten blanket party (het slachtoffer is een arrestant, een travestiet die Julien’s partner in haar arm beet) slaat hij, letterlijk en figuurlijk, zodanig door dat zijn collega’s hem moeten wegtrekken.

Reginald “Bubbles” Cousins, een vroegere informant van Kima Greggs, weet na jaren van drugsmisbruik clean te blijven. In het laatste seizoen wordt zijn levensverhaal opgetekend door een journalist van de Baltimore Sun. Op het moment dat Bubbles zijn foto in de krant ziet kan hij dat deel van zijn leven afsluiten en wordt hij door zijn zus en haar kind als familie geaccepteerd.
Duquan “Dukie” Weems is intelligent, maar ziet, ondanks de hulp die zijn voormalige onderwijzer Pryzbylewski aanbiedt, geen kans om zijn talenten te benutten en te ontsnappen aan de ellende in zijn buurt. Aan het eind van het laatste seizoen zien we hem beginnen aan waar Bubbles korte metten mee maakte; een heroïneverslaving.

Zowel The Shield als The Wire laten zien dat politiewerk vaak dweilen met de kraan open is (het gedoe met de misdaadstatistieken in The Wire en de voortdurende druk in the Barn om de misdaadcijfers zo snel mogelijk omlaag te moeten krijgen). Aan het eind van de dag staan de prostituées weer stevig op hun hoek geplant en wordt er gedeald alsof er geen vuiltje aan de lucht is. Het is om moedeloos van te worden.

En wat is de stand? Shield of Wire? Wat mij betreft is het niet òf-òf maar èn-èn. Twee series die inzicht geven in de werking van het Noordamerikaanse politieapparaat. Zoveel meer dan dat.

dinsdag, juli 6th, 2010

Categories sociologie TV

Jun 30, 2010

Sonic Youth verstript

Ik vind Sonic Youth een van de beste bands ooit. En dat is best een boud statement mijnerzijds, want je hoort mij niet zo snel zeggen dat iets ‘het beste ooit’ is. Alle uitingen van goedkeuring, van ‘waanzinnig’ tot ‘geniaal’, zijn aan mij pas besteed als ik het ook echt vind. Om maar te zwijgen van alle geniuses en amazings die je de hele dag op tv en internet voorbij ziet komen. Net als Elaine in Seinfeld, zet ik vraagtekens bij het voortdurende gejubel waarbij bovengenoemde termen zo vaak in de mond worden genomen dat ze aan waarde verliezen. Maar goed. Sonic Youth. Amazing, breathtaking, genius!

Zo.

Sonic Youth werd geassocieerd met de no-wave scene, ze werkten samen met Richard Kern, waren zijdelings betrokken bij de Cinema of Transgression, kwamen deels uit het orkest van Glenn Branca…veel gaver kan hun achtergrond wat mij betreft bijna niet worden. Op Youtube staat een filmpje waarin ze worden geïnterviewd over hun politieke keuze (pre-Obama) en daarin lijken ze bescheiden, welbespraakt, kortom; übercoole vijftigers wiens laatste album gewoon weer retegoed is. Dat is nog eens elegant ouder worden. Hun muziek. Ik wilde er wel eens wat mee doen. “Candle”, “Joni”, “Kissability”, “Wish Fulfillment”, “JC”, “Theresa’s Sound World”, “Pipe line/ Kill Time”, keuze te over. Ik vind de nummers van SY erg beeldend, een wereld op zich. Werken met SY op de achtergrond heeft me meerdere malen net die kickstart gegeven die ik nodig had. Dus begon ik met het in strip omzetten van een nummer dat al langer in mijn hoofd hing: “Rats”, van het album “Rather Ripped”, uit 2005. De tekst is geschreven door Lee Ranaldo. Zijn teksten zijn surrealistisch, op het bombastische af soms (we watch her fall over and lay down, shouting the poetic thruth of high school journal keepers).

Zijn teksten hebben een vagelijk onderwerp, en als je denkt te weten waar het over gaat, glipt het weer weg. Dat was voor mij met “Rats” het geval (Wish fulfillment bijvoorbeeld is wat minder cryptisch, maar “Pipeline/ Kill Time” is weer erg vreemd).

“You are the moon beyond your mind”.

“Let me place you in my past, with other precious toys”.

Het was een uitdaging om dit soort zinnen uit te beelden, waardoor er hier en daar een verschuiving optrad qua beeldtaal. Onder andere omstandigheden zou ik een hartvormige plas bloed veel te dramatisch hebben gevonden, maar bij deze songtekst paste het juist erg goed.

De strip gaat over een scheefgelopen relatie, vervreemding van elkaar, eenzaamheid, en misschien toch een klein beetje hoop. Dit alles speelt zich af in New York, met name de West Village en een beetje Bronx (dat zijn hersensprongen die ik me heb veroorloofd te maken; het komt waarschijnlijk omdat ik zelf echt op de uitgebeelde plekken heb gelopen). De strip werd geëxposeerd tijdens de Ficomic in Barcelona, in galerie RAS.

woensdag, juni 30th, 2010

Categories illustratie kunst muziek

Jun 21, 2010

R. Stevie Moore

Er was eens een muzikant. Hij woonde in een huis, waar hij zich vaak verschanste in zijn zelfgebouwde studio. Hij was al 40 jaar bezig met het componeren van de meest prachtige liedjes. Geen genre was hem te gek. Hij bracht al zijn liedjes zelf uit, en maakte geen onderscheid in goede of minder goed geslaagde nummers. Allemaal belandden ze op een cassettebandje, of op vinyl, zodat er op een gegeven moment meer dan 400 releases op zijn naam stonden.

Hij schreef bijvoorbeeld een ingetogen liedje over iemand die geen eten kon betalen. Een ander liedje ging over hoe hij ervan hield om gewoon thuis te blijven. Als je ernaar luisterde kon je ervaren hoe fijn het eigenlijk is om in je eigen huis rond te scharrelen terwijl je vrienden de bloemetjes buiten zetten.

Niet alle liedjes hadden tekst. Dat gaf niet, want ook de instrumentale nummers waren de moeite waard. Een liedje was genoemd naar de orkaan David; een stuwende drum en wervelende piano’s wekken het beeld van een wilde wolkenlucht op. De energie van een nummer zoals World’s Fair zorgde ervoor dat je het de hele dag keihard in je auto zou willen draaien.

Sommige liedjes waren best droevig, maar zo wonderschoon dat je ze telkens weer wilde beluisteren.

Op jongere leeftijd was de muzikant vanuit het zuiden van de V.S. naar de oostkust verhuisd, omdat hij in de regio, waar de nadruk op country werd gelegd, z’n draai niet kon vinden. Gek genoeg zou zijn muziek op latere leeftijd gelardeerd raken met country-invloeden, iets waar hij toch prima mee uit de voeten scheen te kunnen.
Zijn oom, die aan de oostkust woonde, moedigde hem aan in zijn muzikale ontwikkeling, en hij produceerde zijn eerste plaat.
Maar op één of andere manier scheen zijn muziek nooit aan te sluiten bij wat er op dat moment in de muziekwereld speelde. Hij bleef een einzelgänger.

Toch bleef hij liedjes maken. Hij nam zijn muziek op, signeerde en verstuurde vervolgens de cassettebandjes (later werden dit cd-roms) aan mensen die dat hadden besteld. Die vraag werd almaar groter toen internet haar intrede deed, en er ontstond een trouwe groep fans die zijn muziek online hadden ontdekt.
Helaas werd hij er niet rijk van. Maar hij hield zo van muziek en van het maken ervan, dat hij er niet mee kon of wilde stoppen.

Er traden jongere artiesten voor het voetlicht die zijn muziek kenden en erover praatten in interviews. Ze wilden graag met hem samenwerken omdat ze hem als een genie beschouwden.

Omdat de jongere artiesten hem op handen droegen, werd hij meer en meer gevraagd om zijn muziek live ten gehore te brengen. Maar de muzikant was inmiddels op leeftijd en de kwalen die met ouderdom gepaard gaan weerhielden hem ervan om aan al die verzoeken te voldoen.

Absurd genoeg bleef zijn talent onontdekt door zowel platenmaatschappijen als een groter publiek.

De muzikant hoopt nog steeds op erkenning van zijn oeuvre. Hij componeert onverdroten voort, verschanst in zijn studio.

maandag, juni 21st, 2010

Categories muziek

Jun 14, 2010

John Gilmore

Eindelijk heb ik doorgevoerd waarvan ik in 1998 een mentale notitie had gemaakt; een aantal boeken aanschaffen van de auteur John Gilmore.

In 1998 kwam ik in aanraking met het tijdschrift Fringe, dat ter meeneem lag op het Crossing Border Festival. Daarin stond, naast informatie over het boek van Michael Gira (ook nog niet gelezen), een interview met John Gilmore.

Ik was wel bekend met pulp romans van Elmore Leonard, maar deze John Gilmore scheen fascinerende true crime verhalen te pennen over de trashy zijde van Tinseltown en daar was ik erg benieuwd naar.

Ik vond het lastig aan informatie te komen over deze schrijver. Het enige wat ik had was dat nummer van Fringe. Internet was nog gerantsoeneerd, want de enige plek waar ik iets kon opzoeken was op de computerwerkplaats op de academie (plekje reserveren, anders vol). Omdat ik nog moest leren hoe informatie te zoeken op internet, belandde ik steevast op Amazon.com. Niet zo gek natuurlijk, maar de informatievoorziening aldaar vond ik te summier.

Gilmore is behoorlijk succesvol, dus waarschijnlijk bevond ik me gewoon aan de verkeerde kant van de oceaan, speurdersgewijs.

Een aantal weken geleden begon ik in zijn boek L.A. Despair. Nu ik terugkijk is het gek dat ik moeilijk op gang kwam in het boek, want toen ik er op een Spaans terrasje eens goed voor ging zitten kon ik het nauwelijks wegleggen. Het verhaal over het leven van pornoster John Holmes en de aan hem gekoppelde Wonderland moorden (bloediger dan de bekende Tate/ LaBianca moorden door de Manson Family, waar Gilmore overigens ook een boek aan wijdde) is gruwelijk en leest als een trein.

Het verhaal over Barbara Payton raakte me; een koppige eigenwijze vrouw die roem en rijkdom zoekt, dat vindt, en uiteindelijk letterlijk in de goot eindigt. De foto’s spreken boekdelen. Van blonde schone naar tandeloze drugsverslaafde, de afkalving is genadeloos.

Ik schafte Gilmore’s bestseller, Severed, aan. Een van de meest legendarische onopgeloste moordzaken: The Black Dahlia. Wat kun je
daarover vertellen dat nog niet is gezegd? Het gegeven is een paar jaar geleden nogal inspiratieloos verfilmd, ik verwachtte iets met veel feiten en cijfers.

Had ik het even goed mis!

Het boek uit 1994 sleurt je mee in het korte leven van Elizabeth Short, de Black Dahlia. Gilmore beschrijft haar jeugd tijdens de Grote
Depressie, haar dromen en haar liefdesleven tegen de achtergrond van WOII en Pearl Harbor. Je voelt zijn affiniteit met -en kennis van- deze tijd en de kringen waarin ze verkeerde.
Ze maakte plannen hoewel ze deze nooit in iets concreets omzette. Ze had geen vaste verblijfplaats, zwevend tussen realiteit en de droom om door te breken. Die doorbraak zou er nooit van komen.

De acteur Franchot Tone, later Barbara Payton’s geliefde, schetst het beeld van een getroubleerde vrouw, die het aan eelt op de ziel leek te ontbreken. Hij was bijna bang voor haar, bekende hij. John Gilmore heeft Short zelf nog ontmoet, toen hij 11 was, enkele maanden voordat ze werd vermoord. In Severed noemt hij de persoon die naar alle waarschijnlijkheid de dader is.

Omdat Gilmore wil dat de lezer het verhaal in wordt getrokken houdt hij zich niet bezig met het optekenen van allerlei data. Op deze manier voelt het leven van de Black Dahlia ècht en niet als een chronologisch geschiedenislesje, waarbij je onbewust afstand neemt omdat het drama zich in het verleden afspeelt.

John Gilmore is scriptschrijver, acteur, regisseur, gonzo journalist. Hij schrijft op subjectieve en anekdotische wijze. Zijn verhalen staan bol van het taalgebruik van voorbije tijden,  en zijn alinea’s bezitten een dynamiek, alsof je in een cadillac met grote snelheid dwars door de volzinnen racet.

Hij was een goede vriend van James Dean (over wie hij later een boek schreef). Hij hing met Eartha Kitt en werd gerekend tot de Night Watch (een denigrerend bedoelde term, bedacht door de roddelpers), een groepje motorrijdende jonge acteurs dat Googie’s, een coffeeshop op Sunset Boulevard frequenteerde tot in de late uurtjes. Hij onderhield vriendschappen met o.a. Françoise Sagan, Brigitte Bardot, en Dennis Hopper.

Maar die glinsterende hoogtijdagen van Hollywood, toen de V.S. nog het Kanaän van de wereld scheen, zijn geteld.

Gilmore is een overlevende van die tijd, van de beat-generatie, waarin men kwistig met allerlei drugs strooide: Dennis Hopper was tijdens het maken van Easy Rider zo high dat hij vergeten was een aantal scenes te filmen. Na het feestje ter ere van het afronden van de film moest er dus toch weer op locatie geschoten worden. Gilmore bevond zich voortdurend onder mensen die de glijdende schaal van sex drugs en rock ‘n’ roll afroetsjten, zoals Janis Joplin, Jim Morrison en James Dean.

In de film Fear and Loathing in Las Vegas krijgt de film een grimmig karakter wanneer Hunter S. Thompson en zijn advocaat het hotel waarin ze verblijven vluchten. Ze belanden aan de noordkant van Vegas, waar de advocaat een serveerster tot op het bot beledigt als hij haar per briefje een zeer oneerbaar voorstel doet.

Die scène, die uitzichtloosheid en ranzigheid, daaraan moet ik denken als ik het relaas van bijvoorbeeld Barbara Payton of John Holmes lees. Het verhaal van John Holmes gaat ook over zijn ‘vriendschap’met Eddie Nash, een van de belangrijkste onderwereldfiguren van die tijd in Hollywood. Nash’ praktijken zijn ronduit duister.

Gilmore wilde eerst een compleet boek aan zowel Nash als Payton wijden, maar al die ellende vreet na verloop van tijd een gat in je ziel. Hij zag er vanaf. “Disheartening” noemt hij het zelf.

En je krijgt nogal wat voor je kiezen als je de dagboeken van Charles Schmid (Cold Blooded-The Pied Piper of Tucson) in handen krijgt en
Charlie Manson, Bobby Beausoleil en de meisjes van de Manson Family interviewt.

Al met al schetst Gilmore een fascinerend tijdsbeeld over de schaduwzijde van het leven in zowel de ‘fast lane’ als in de marge van het bestaan.

Ik begin handenwrijvend aan zijn oeuvre.

maandag, juni 14th, 2010

Categories boeken popcultuur

Jun 8, 2010

Opening expo Kampensche School, Nieuwe Vide tijdens de Stripdagen 2010

Tot over twee jaar maar weer!

dinsdag, juni 8th, 2010

Categories illustratie strips

Feb 28, 2010

Een Oude Ray Gun 2

De tijdlus waarin iets van  ‘cool’, naar niet cool gaat en vervolgens hernieuwd succes krijgt, lijkt steeds korter te worden. Hipsters/ scenesters dragen kleding die behoorlijk fugly zijn, maar door hun ‘ironische’ waardering van die lelijkheid wordt het dragen ervan weer ok. Tevens wekken hipsters de indruk dat ze totaal onverschillig staan tegenover hoe men op anderen overkomt. Alle marginale subculturen worden op een hoop gegooid, authenticiteit wordt opzettelijk gepresenteerd als afgeragd. Alles is referentie.
En daar steekt een ander fenomeen de kop op, in 1993 geïntroduceerd door de filosoof Jacques Derrida in zijn werk “Spectres de Marx”, namelijk Hantologie (Hauntology).

Hauntology is de tegenpool van nostalgie. De term is een portmanteau van Haunt en ontology. De term geeft aan dat het heden alleen kan bestaan in relatie tot het verleden. Derrida stelt in zijn werk uit 1993, Spectres of Marx, dat “aan het eind van de geschiedenis” (refererend aan het essay van Francis Fukuyama uit 1989), men standpunten over ideeën, die eerder als archaïsch en ouderwets werden bestempeld, zal herzien. Men richt zich niet zozeer op het feitelijke verleden alswel op de ‘geest’ van het verleden.
De scheidslijn tussen het verleden, heden en toekomst is dun. Het heden wordt altijd door verleden en toekomst beïnvloed, ze overlappen elkaar. Hauntology gaat in die zin over het Shakespeariaanse ‘to be or not to be’, een nogal paradoxale staat van ‘zijn’.  Het concept “geest” behoort noch tot het heden, noch tot het verleden.

Derrida’s idee is gebaseerd op Karl Marx’ bewering dat “Un spectre hante l’Europe - le spectre du communisme.”. Derrida stelt dat de geest van het communisme aan relevantie heeft gewonnen na de val van de Muur. Omdat Europa nu herenigd is, en er geen lijden meer is onder een dictatuur, is ze geïsoleerd van het lijden dat zich in de rest van de wereld afspeelt.  Als gevolg hiervan zal de interesse voor het communisme binnen Europa uiteindelijk weer toenemen.

Ik heb boeken gelezen over het Kafka-eske karakter van de DDR en ik kan me niet voorstellen dat men, Ostalgie ten spijt, weer terug zou willen naar het communisme. Inwoners van de voormalige DDR zijn hier en daar wel sympathisant, dat kan ik me ook wel voorstellen gezien de manier waarop de hereniging tussen Oost- en West-Duitsland heeft plaatsgevonden. Maar ik krijg er een ‘vleespotten van Egypte’ gevoel bij.

Volgens Fukuyama ging de evolutie van de geschiedenis altijd over de strijd tussen verschillende overtuigingen. Dat gevecht wordt beslecht na de Koude Oorlog en de val van de Muur, zo schrijft hij in zijn boek “The end of History and the last Man”. De constitutionele democratie zal als ultieme regeringsvorm worden gezien, politiek- en economisch liberalisme zullen zegevieren.

Maar economisch liberalisme valt vaak samen met kapitalisme. In een tv-interview uitgezonden door de ZDF, zegt de Amerikaanse schrijver David Foster Wallace dat de werking van het kapitalisme en het aanzetten tot consumeren een goed systeem is om een economie draaiende te houden, maar dit is niet geschikt voor het sociale aspect van de maatschappij. Naar aanleiding van de crises die ons in de Noughties hebben geteisterd zie je niet de saamhorigheid die werd beschreven tijdens bijvoorbeeld de Grote Depressie in de jaren ‘30 in de V.S., zo redeneert hij. Men sluit zich nu op in een SUV, men sluit zich af in dit tijdperk van verregaande individualiteit.
De invloed van het kapitalisme doet zich gelden op het culturele vlak, zo stelt ook Fredric Jameson in zijn werk “Postmodernism, or, the Cultural Logic of Late Capitalism” (1991).  Culturele innovatie stagneert. Entertainment entertaint slechts en daagt niet uit.

Een geschiedenisdocent op de Havo tekende eens een lijn op het schoolbord. Aan de ene kant van de lijn noteerde hij “extreem links”, aan de andere kant “extreem rechts”. Daarna vervormde hij deze rechte lijn tot een cirkel. Extreem links en rechts stonden ineens vervaarlijk dicht bijelkaar. Verregaande individualiteit en grijze massa zijn minder grote tegenpolen dan ze ons toeschijnen. Een voorbeeld is hoe internet (sub)culturen versneld verspreidt. De mainstream bestaat bij de gratie van de marge. Invloeden uit marginale bewegingen worden opgepikt, ontdaan van de scherpe randen en gepresenteerd als nieuw en origineel. American Apparel is wat dat betreft een McDonalds op het gebied van kleding geworden.

Misschien dat Hauntology daarom weer overal opduikt. Muzikanten als Ariel Pink, Burial, en Washed out maken in hun muziek gebruik van het Hauntology uitgangspunt. De nummers van Burial refereren niet zozeer aan de rave scene, ze roepen een vaag idee op van die scene, zonder er een concrete uitspraak over te doen. Ik las in een recensie van zijn album “Untrue” dat de muziek nog het meeste het gevoel na een rave weergeeft, de lege dansvloer, de pillen die zijn uitgewerkt. Een verlangen naar iets dat nooit echt was.

Ariel Pink’s muziek klinkt als een kapotte transistorradio, maar zijn liedjes zijn bijzonder catchy, en ondanks de schijnbaar nonchalante uitwerking voelen de nummers als echte liedjes. Brian Wilson is een grote invloed, maar Ariel geeft aan die invloed een geheel eigen draai, alsof zijn nummers in een parallel universum zijn opgenomen.

Washed Out klinkt als muziek die ik vroeger als 10-jarige goed had gevonden, iets wat de oudere zussen van mijn vriendje op hun slaapkamer gedraaid zouden hebben (Washed Out klinkt bekend en nieuw tegelijk. Je denkt dat je de tracks herkent, en tegelijkertijd weet je dat dat niet zo is). Bij gebrek aan een eigen oudere zus, keek ik enorm tegen hun op, met als gevolg dat ik alles omarmde wat zij interessant vonden. Washed Out is geen vingeroefening in het retro spandex jaren 80 kunstje, maar meer etherisch. Nadat je in Club Tropicana in dat zwembad bent gesprongen, word je overspoeld door een verlangen op te gaan in de kleuren en indrukken om je heen. “Feel it all Around”.

Zelfs J Dilla wordt zijdelings geassocieerd met Hauntology, omdat zijn nummers een bric à brac zijn van geluidjes, vage effecten, en obscure non referenties.
Horen we muziek in het toevallig samengaan van geluiden?

Ik las dit op internet en vond het een heel mooie verwoording van wat Hauntology in muziek nu ongeveer behelst:
[…]music as recorded artifact, facing both backwards and forwards simultaneously, an inscripted trace that is neither presence nor absence but a spectral apparation that both references and eludes such binary oppositional catagories (sic)[…]
(gepost door ‘John Doe’ op dissensus.com)

Zo nu en dan sla ik die oude RayGun weer open, de modereportages ogen nog best fris, zo ook de spreads met daarin een item over “ Best of Graduate Fashion Week” in Londen. Ik probeer de inhoud met nieuwe ogen te zien. Want hoe oud een tijdschrift ook is, als het je herinnert aan waardevolle gebeurtenissen, momenten, ideeën, vind je tussen de regels, of als je net wegkijkt, iets anders, iets wat voor jezelf -zelfs 13 jaar na dato- weer relevant kan zijn.

zondag, februari 28th, 2010

Categories persoonlijk popcultuur

Een Oude Ray Gun 1

Toen de Berlijnse Muur viel in 1989 was ik 13. Op de lagere school leerden we tot dan toe over het IJzeren Gordijn. Ik geloof niet dat ik echt doorhad wat dat inhield, ik zag alleen een stug waaierend gaasgordijn voor me, in de geest van Christo’s kunstwerken. Het klonk wel mysterieus.
Toen Tito nog leefde, was Joegoslavie een goed bezocht vakantieoord, Dat leek mij ook erg exotisch. Mijn oma, die samen met mijn opa Joegoslavië als vakantiebestemming had bezocht zei vaak tegen me dat de tijd nog wel zou komen dat ik zelf met het vliegtuig zou gaan reizen. Dat was natuurlijk een geweldig vooruitzicht.
Als ik uit logeren was bij mijn andere oma, Beppe, las ik de oude meisjesromans die daar in de kast stonden. Joop ter Heul, Herrie-Let. Hopeloos ouderwets. Een wereld waarin meisjes, als ze niet meteen een gezin stichtten na school, als typiste op een kantoor werken tot ze door een fatsoenlijke jongeman het hof werden gemaakt.
In de Gerda Omnibus, schopt Gerda het tot stewardess en daarnaast slaat ze ook nog een piloot aan de haak (ook adopteren ze een kindje uit Afrika, dat de piloot liefkozend zijn ‘koffieboontje’ noemt. Dat soort koloniale termen kunnen toch echt niet meer zou je zeggen, toch werd er een tijd terug in het dating-programma Take Me Out een gelijkwaardig staaltje ten beste gegeven. Oy Vey!)

Toen ik 13 was, kon ik me sowieso niet zoveel over de toekomst voorstellen. De plaatsen waar het allemaal scheen te gebeuren leken zo ver weg. Ik was op m’n elfde een keer naar Ahoy in Rotterdam geweest. Samen met mijn vader, die ik als een man van de wereld beschouwde, nam ik de trein naar deze metropool. We gingen met de metro naar Ahoy. Ik at mijn eerste pizza daar in een winkelcentrum.
Daarvoor was ik eens met Beppe meegegaan toen ze haar nicht in Leeuwarden bezocht, deze nicht woonde driehoog. Eén blik op het trappenhuis in de portiekflat en ik wist dat ik altijd een balkon boven een achtertuin zou verkiezen. Mijn eigen Manifest Destiny heeft daar haar wortels.

De beelden van huilende, juichende mensen op tv, toen de Muur openging; ik zag het op tv en wist dat ik naar iets keek wat ook in de daaropvolgende decennia als iets belangrijks zou worden gezien. Maar zo voelde het helemaal niet.

Vorig jaar, tijdens een hangweekend bij vriendin M bekeken we haar oude agenda’s. Blijkbaar hadden we in 1992 dezelfde agenda gehad, want ik herkende de Pall Mall reclames, het verslag van de modellenwedstrijd, en de veilig vrijen campagne. De eerste zin van de Pall Mall advertentie is, nu ik terugkijk, onbedoeld grappig: “Ik zei nog zo, linksaf!” Verdwaald in een ruig lanschap, poseert een nors kijkend stelletje in stoere kleding. Iets met een fourwheel drive en veel zand. Internet stond in de kinderschoenen en gedrukte media was nog oppermachtig. In het boek “Standing On The Shoulders Of Giants” worden de “Masters of Advertising”  (2001, Hermann Vaske) geïnterviewd waaronder George Lois en Jerry della Femina (die eens een presentatie aan een klant gaf waarbij hij deed of hij voorlas, in werkelijkheid stond hij met een leeg vel papier in handen).
Sommige advertenties uit die tijd hebben werkelijk lappen tekst voor hedendaagse begrippen.

Toen ik midden in de jaren 90 zat vond ik dat decennium ondefinieerbaar. Terugkijkend valt er genoeg te categoriseren. In 1992 was ik blij dat die belegen jaren ‘80 eindelijk voorbij waren. Ik was ervan overtuigd dat de jaren ‘90 stijlsgewijs een enorme vooruitgang zouden zijn en dat er een breuk zou worden gemaakt met alles wat 10 jaar daarvóór hip was. Mijn denkfout was dat ik dacht dat ik wist wat stijl was.

Tijdens lessen op de kunstacademie (1995) waren studenten als een gek tijdschriften aan het verknippen en plakken (laatst keek ik met vrienden de serie ‘Lipstick on your Collar’ van Dennis Potter, en toen zei iemand tijdens de kantoor-scènes: “Kijk eens naar die bureaus. Geen computers. Alleen maar papier.”). Het magazine Rails was gewild. In de trein van en naar Kampen werd de kreet “rails hoort thuis in de trein” niet gehoord.
Begin vorig jaar bezocht ik het Moma in New York, waar op dat moment een expositie van George Lois te zien was. 32 van de door hem ontworpen Esquire covers uit 1992 werden geëxposeerd. Ook de werkwijze van George Lois kwam aan bod.
Het was verfrissend om te zien hoe zijn concepten zonder nullen en enen tot stand kwam.

Bladen die we gaaf vonden waren o.a. Blvd (tot Gert Jonkers het voor gezien hield als hoofdredacteur), Interview, de gebonden Mediamatic issues met interactieve cd-roms, Fringe, en natuurlijk de Ray Gun, met als held de artdirector David Carson. Nu ik een OV  studentenkaart had, ging ik regelmatig naar Amsterdam, waar ik uren doorbracht in het American Book Centre en Athenaeum.

Ik heb nog steeds stapels Blvd’s thuis liggen. Een oude Metropolis M (Revolt!) ligt op de stapel nieuwere issues, maar wat ik bovenal koester is #71 van Ray Gun, met Chris Cornell op de cover. Als ik dat nummer doorkijk is het of ik over m’n schouder terugkijk naar de tijd waarin het blad vers van de pers was, en niet half aan gort gesneden door een fileermesje. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat dit blad oorspronkelijk niet van mij is. Het was van π, en hij en zijn fileermesje waren toentertijd onafscheidelijk. Het nummer is altijd blijven rondslingeren tot aan ons samenwonen in Arnhem aan toe. Tijdens ons uiteengaan en het hele cd-van-jou-cd-van-mij gebeuren ben ik eerlijk geweest in het verdelen. Maar ik was erg gehecht geraakt aan die Ray Gun, en ik had het idee dat het blad me meer vertelde over 1999 dan al mijn dagboeken uit die tijd ooit zouden kunnen zeggen. Dus nam ik het mee.

Interviews met bands die de melktand des tijds niet hebben doorstaan, de Silver Tab reclames met illustraties (de tekengolf was net weer aan het opkomen) de sneakers met alternatieve sluitingen. Zaterdagmiddag in kleermakerszit op de grond, schetsend, tijdschriften en boeken lezend met Sublime, Pavement, of Jane’s Addiction op de achtergrond. Een instant sentimental journey. Er kwam zoveel nieuws op m’n pad en tegelijkertijd weet ik nu hoe vreselijk naïef we toen waren.

David Carson had bij het verschijnen van # 71 de redactie van Ray Gun allang verlaten. Carson is natuurlijk enorm bekend geworden door zijn onorthodoxe layouts en gebruik van fonts. Zijn stijl van typografie suggereerde het einde van geprinte media (gezien de groeiende populariteit van internet), verschilende typefaces werden doorelkaar gegooid, zodat tekst een onontwarbare kluwen werd, waar geen touw meer aan vast te knopen was.

In de tweede helft van de jaren ’90 verspreidde internet zich snel. Ik begon Netscape sympathiek te vinden en heb nooit aan het logge en onelegante Internet Explorer kunnen wennen. Toen ik doorkreeg hoe je informatie moest zoeken was ik uren zoet. Ik zocht websites op die door magazines werden aangeprezen (o.a. baader-meinhof.com)

Op nieuwjaarsdag 2010 keek ik ’s middags een film “A Chance of Snow”, die, erg genoeg, op imdb.com nog een 5,9 scoort ook. Het gaat over een echtpaar met kinderen. De ouders willen gaan scheiden, maar ze komen vast te zitten op een vliegveld. Michael Ontkean speelt de overspelige man, en geloof me, je wilt Sherrif Truman uit Twin Peaks niet in zo’n draak van een film zien.

Ik probeerde te raden in welk jaar deze film was gemaakt. Mijn gok was 1989/90. Op de aftiteling stond 1998.

Late nineties romcoms have abosolutely abysmal costume departments, merkte een Facebook vriendin laatst op. En ze heeft gelijk. Toch heeft “A Chance Of Snow”. iets troostends. En dat sentiment hangt ergens tussen ‘wat liepen we er toen vreselijk bij’ en misschien stiekem toch al een beetje nostalgie. Toen er nog geen Iphone was, maar we status ontleenden aan het Swatch horloge.
In het boek Generation X, Tales for an accelerated culture (1991, Douglas Coupland) deelt een van de hoofdpersonen een dierbare herinnering met zijn vrienden. Hij vertelt dat hij zelfs tijdens moment al heimwee had terwijl de gebeurtenis nog in volle gang was.

Mattel, Reaganomics, kernwapens. Swatch, Golfoorlog, Green River Killer.
In elk decennium zijn er rottigheden en ellende, maar tot m’n 16e was ik redelijk afgeschermd (en op de academie las ik geen kranten). Ik leefde ook een beetje in m’n eigen fantasiewereld, dus mijn beeld is enorm vertekend. Dat is misschien maar goed ook; ik heb me per slot van rekening genoeg zorgen gemaakt over het verdwijnen van de aardlagen en zure regen, als 10-jarige, voor het slapengaan.

zondag, februari 28th, 2010

Categories persoonlijk popcultuur

Feb 5, 2010

Camilo José Vergara

Wanneer mijn hoofd gedurende langere tijd wordt blootgesteld aan New York gerelateerde media en tv, begint het weer te kriebelen. Berlijn is bruisend, Londen is lommerijk, Frankfurt is vrij fantastisch, maar een stad als New York; ‘it takes the cake’ zogezegd.
Laatst vroeg ik me af of je van een stad meer kunt houden dan van een persoon. “nee” zei iemand. Ik weet het achterliggende argument niet meer. Iets van ‘een stad kan geen liefde en affectie teruggeven zoals een persoon dat kan’. Denk ik. Een stad bestaat ook bij de gratie van mensen, dus mijn vraag was bij voorbaat al genullificeerd. Een stad zonder mensen is een beetje zoals New York in de film ‘Escape from New York. Wat eigenlijk wel weer leuk is.

Veel tv-series die zich in metropolen afspelen nemen bekende gebouwen als ijkpunt. Bij ons is dat het trambelletje in Nederlandse series; “ooh, het speelt zich af in Amsterdam!”. In MTV’s The City, Sex and the City, Gossip Girl komt het Chrysler Building meer dan eens voorbij:

“Where the spire of the Chrysler Building is the ultimate fetish object and even blocky old 1633 Broadway gleams like magic onyx.”–Troy Patterson

Freud zou er een leuk project aan hebben.

Ik zag Camilo José Vergara’s werk voor het eerst op internet, als link op een site van een Canadees die een thesis schreef over stedelijk verval. Hij had een geweldig online archief, waarin bijna elke grote tot middelgrote Amerikaanse stad vertegenwoordigd was. Helaas werkt deze site niet meer naar behoren.

Vergara is socioloog en fotografeert sinds de jaren zeventig o.a. het leven en architectuur Noordamerikaanse steden. Zijn werk is een registratie van hoe de urbane omgeving door de decennia heen verandert.
Vergara wordt vaak vergeleken met Jacob Riis, een sociaal hervormer, die mede aan de wieg stond van de Newyorkse ‘tenements‘. Ook was hij een pionier op het gebied van fotografie.
Zelf heb ik Vergara’s boek “Subway Memories”, waarin de vele stations en treincoupés op de gevoelige plaat zijn vastgelegd. Een geschiedenis van één van de grootste en oudste metro-routes van de wereld. En haar reizigers.

Een andere fotograaf wiens werk ik bewonder is Robert Frank. Toen ik zijn boek “The Americans” in handen kreeg was ik enorm onder de indruk. Ik keek het elke dag door voordat ik het dichtdeed en zelf ging tekenen. Robert Frank wordt ook wel de “de Tocqueville” van de fotografie genoemd; zijn werk vormt een ’sociale documentaire’.

Frank maakte in de jaren ‘40 en ‘50 van de vorige eeuw korte metten met de in de fotografie tot dan toe geldende conventies als zorgvuldig kadreren en uitlichten. Ook straalde zijn werk geen optimisme uit, zoals dat in die tijd gebruikelijk was. Robert Frank fotografeert verval en getekende levens. Als geheel vertellen de foto’s ons over de V.S. in die tijd. Consumptie als deugd; de prijs die men hiervoor betaalt, en de groter wordende kloof tussen arm en rijk.

In tegenstelling tot Frank, die inzoomt, korrelige foto’s maakt, en de poëzie achter het alledaagse weet bloot te leggen,  gebruikt Vergara zoveel mogelijk gelijkmatige belichting. Geen regen, niet teveel schaduw, zodat het onderwerp zo ‘objectief’ mogelijk kan worden vastgelegd. Zijn beelden zijn helder, alsof ze ons iets willen uitleggen. Registratie lijkt de hoofdmoot, het stramien van onze maatschappij wordt getoond.

Fotoseries van Vergara zijn o.a. te zien op Slate. Eén serie op de site boeide me in het bijzonder en dat zijn de foto’s van verschillende kinderdagverblijven in de V.S. Sommige wel erg treurige foto’s zijn genomen in de jaren negentig, maar ook het kinderdagverblijf in Los Angeles uit 2009 ziet er uit als een fort.

Velen brengen hier tegenin dat het interieur van de getoonde gebouwen haaks staat op de buitenkant. Aan de westkust van de V.S. schijnt men zelf cactussen (cactii?) onder de ramen te planten; een bewezen preventief middel om inbrekers buiten te houden.

vrijdag, februari 5th, 2010

Categories architectuur kunst sociologie

Apr 21, 2009

Leslie Lowinger

Leslie Lowinger is een Amerikaanse kunstenares. Ze werd geboren in New Orleans en groeide op in Detroit. Voordat ze zich vestigde in San Francisco woonde ze in Hamburg en New York. Haar werk is beïnvloed door o.a. Jacques Callot, verschillende 18e eeuwse schilders en traditionele Japanse prints.

Omdat ik het boek ‘South Bronx Rising’ had gelezen (over de geschiedenis van deze wijk), zocht ik foto’s van het Banana Kelly project aldaar (geleid door father Gigante, waarbij buurtbewoners door op de braakliggende kavels groenten te verbouwen hun buurt als het ware terug eisen). Maar ik kwam terecht bij werk van Leslie Lowinger.

De serie houtskooltekeningen die ze maakte over Longwood, een wijk in de Bronx (één van de armste wijken in de Verenigde Staten), ogen desolaat. In de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw verschilden deze plekken niet veel van oorlogsgebieden. Braakliggende stukken grond werden een dumpplek voor grofvuil.
In deze ogenschijnlijke chaos weet Lowinger ordening aan te brengen. Door het licht als uitgangspunt te nemen krijgen de landschappen een extra dramatische dimensie. Dit zijn plaatsen waar mensen liever niet zijn, waar troep ligt die ze niet meer willen hebben. Op zo’n afgewezen plek weet Lowinger iets van beeldende waarde te vinden, want haar serie tekeningen over Longwood is bijna idyllisch. Schoonheid in treurnis.

Door in series te werken lijkt het alsof ze probeert grip te krijgen op haar omgeving. Op haar site meldt ze dat ze zich vaak een buitenstaander voelde in de buurten waar ze woonde. Ze maakte tekeningen van een joodse begraafplaats in Hamburg. Deze plek was slecht onderhouden, vergeten, net als de straten van Longwood. De grote halen en vegen die met houtskool zijn gemaakt passen goed bij het grove karakter van de plekken die ze in beeld brengt. Takken en bladeren zijn soms niet meer dan een vlek of krabbeltje, maar als je een stap achteruit doet valt alles op zijn plaats.

Het gegeven ‘stad’ is één van de belangrijkste aspecten in haar werk. De stedelijke ruimtes die ze creëert worden bevolkt door mensen die voortdurend onderweg lijken te zijn. Ze doen denken aan de mensen uit de film Playtime van Jacques Tati, waarbij er nooit wordt ingezoomd, maar mensenmassa’s altijd zoveel mogelijk in hun totaliteit in beeld worden gebracht.
In ‘New Mall First Floor’ zijn de mensfiguren niet meer dan vegen, vagelijk herkenbaar als personen.
De serie ‘New Mall’ (bestaande uit 2 etsen) doet verslag van winkelend publiek in een winkelcentrum; een nogal banaal gegeven. Eenvoudig in opzet, kleur en vorm zijn streng gerantsoeneerd. Door dit soort vluchtige momenten in een tijdrovend medium als ets vast te leggen, stijgen ze boven het alledaagse uit. Tegelijkertijd hebben ze iets droefs.

Haar werk met als onderwerp het Golden Gate Park in San Francisco is zowel een weerspiegeling van de werkelijkheid als fictie; Lowinger tekent op locatie, maar ook vanuit de herinnering. Door haar eigen associaties en de werkelijkheid te laten samengaan krijgen de etsen, schilderijen en tekeningen van het park een dromerige kwaliteit.

Leslie Lowinger’s werk blijft boeien, ik kijk regelmatig op haar site, alhoewel niet al haar werk hier gedocumenteerd is. Een rondje zoekmachine levert verschillende resultaten op met telkens weer ander werk van haar hand, waardoor de collectie nogal versplinterd raakt.
De schilderijen van het Golden Gate Park verassen telkens weer, en ook de houtskooltekeningen over Longwood blijven fascineren. Naast stedelijkheid is het begrip leegte ook prominent aanwezig in Lowinger’s werk. Zelfs in haar prints van flatgebouwen met bloemen en in de drukte op de metroplatforms dringt de restruimte zich op. De vervreemding en isolatie die je voelt als je je in je eentje een weg baant door een grote metropool is hier duidelijk voelbaar.

Categories architectuur kunst

Tumblr