
De Brinkmann passage is zwaar verouderd, een smet op het centrum. Een prominent pand aan de Grote Markt met één van de lelijkste puien die Nederland rijk is. Buiten werking gestelde roltrappen zijn gebarricadeerd met houten schotten.
Er zijn overigens twee roltrappen die nog wel werken, deze leiden naar de eerste verdieping alwaar een dependance van de gemeente Haarlem is gevestigd.
De Brinkmann passage zou een prima decor zijn voor de climax van een zombie apocalypse. Zoals in de film Dawn of the Dead. Overlevenden verschansen zich in een winkelcentrum; ze wapenen zich in de strijd tegen zombies en, op de valreep, een motorbende. Mooie omgeving om daar als ambtenaar elke dag met je broodtrommeltje doorheen te wandelen, op weg naar je werk.

Is een winkelcentrum als de Brinkmann passage nog in ere te herstellen? Staat een winkelcentrum dat consumenten als massa aanspreekt niet haaks op de niche-cultuur die op commercieel gebied onverminderd voortwoekert?
‘Authenticiteit, verantwoord en duurzaam’ is tegenwoordig een breed gedragen marketingmantra. Diensten en koopwaar worden gekoppeld aan termen als ‘beleving, ‘ervaring’. Het blijft natuurlijk vaak massaconsumptie, alleen iets anders verpakt.
In Berlijn is een paar jaar geleden de Marheineke Markthalle gerestaureerd; een oude nieuwe markthal. Produkten die er worden verhandeld zijn afkomstig uit de regio. De kracht van zo’n plek is de binding met het verleden, een vervolg op wat was.
Authenticiteit als imago. Dat imago is van levensbelang; Harrod’s in Londen is een bezienswaardigheid, net als de St. Paul’s Cathedral, of de Tower Bridge. De KaDeWe in West Berlijn is een upscale winkelkolos, met exclusieve artikelen. Een haven van welvaart.
Nederlandse winkelcentra zijn over het algemeen wat bescheidener.
Flashback: Doordat de groeiende Neêrlandse middenklasse zich aan het begin van de twintigste eeuw in nieuw opgezette voorsteden en buitenwijken vestigde ontstond suburbanisatie. Dit werkte decentralisatie van winkelconcentraties in de hand. De tram, en op termijn de auto, maakten grote afstanden makkelijk te overbruggen.
Echt zelfstandige winkeleenheden ontstonden pas na de Tweede Wereldoorlog, tijdens de wederopbouw. In stedenbouwkundige ontwerpen kregen winkelclusters weloverwogen een plaats toebedeeld.
Hoe anders ontwikkelde zich dit fenomeen in de Verenigde Staten. Waar in Nederland van overheidswege ondernemingen een plek kregen toegewezen, bouwden beleggende particulieren er zelf hun malls. Waar Nederlandse winkelcentra een verzorgende functie hadden, mikten de Amerikaanse clusters op automobiele bereikbaarheid. In Nederland, dat weinig goedkope grond had om grote winkelconcentraties op te vestigen, werd winkelbouw en de ontwikkeling ervan door verschillende commissies op de voet gevolgd. De Amerikaanse overheid zag te laat in wat de invloed van wildgroei aan malls was; midden de jaren 1950 ontstonden zogenaamde ghost towns; omringende winkelcentra hadden het leven uit de stadskern gezogen. Dat was een opsteker voor alle betrokkenen bij de ontwikkeling van het retail-landschap in Nederland.
Bijna alle winkelcentra uit de wederopbouwperiode (vaak al verouderd voor ze werden opgeleverd) zijn onderworpen aan verbouwingen; hetzij cosmetisch, hetzij grondig op de schop genomen. Soms krijg je dan een raar allegaartje waar je verschillende decennia in terugziet, zonder dat het gebouw conceptmatig en in uitstraling nog een eenduidige architectonische uitspraak doet. We kennen allemaal wel een winkelcentrum in de buurt met toegevoegde plastic overkapping, lichte baksteen, veel wit en pastelkleurig plastic in het ontwerp, vrolijk bedoelde betegeling.
Deze elementen voeren je onherroepelijk terug naar eind twintigste eeuw, zoals hier te zien is. De fotoserie is gemaakt door Michael Galinsky; hij legde in 1990 winkelend publiek op de gevoelige plaat vast. Een prachtig stukje recente geschiedenis.
In de jaren 1980 bombardeerden Amerikaanse jongeren de mall tot hun vaste hangplek. Sociale interactie en economische motieven gingen hand in hand. Popsterretjes Debbie Gibson en Tiffany waren middels tournees langs verschillende winkelcentra tot heuse mall-queens uitgegroeid.
Het winkelcentrum als dorpsplein; onderzoekers en marketeers hadden jongeren al langer in het vizier als het om koopgedrag ging. De ontwikkeling van jongeren als markt op zich begon aan het begin van de 20e eeuw en kwam in de jaren ‘60 en ‘70 in de Verenigde Staten in een stroomversnelling.
Ook de opkomst van de counter culture, die de gevestigde orde en alles wat daarmee samenhing wantrouwde, werd ingezet als marketingstrategie. Non-conformistisch en rebels, versus hedonistisch en zorgeloos. Deze twee modellen van de jongerenmarkt waren van belang voor bedrijven die wanhopig naar nieuwe kanalen zochten om producten aan de man te brengen. Ook marketing- en reclamebureaus die zichzelf wilden presenteren als een gedegen partner hadden baat bij deze strategie.
Hedonistisch koopgedrag bleek makkelijk te implementeren in de V.S. na de Tweede Wereloorlog.
Aanhangers van de counterculture wantrouwden instanties en commercie in het algemeen. Om het aura van deze beweging commercieel gezien bij te houden lieten ondernemingen produkten elkaar steeds sneller opvolgen. Je zou verwachten dat een beweging als de counterculture (geportretteerd in de film Easy Rider) een revolutie zou ontketenen, een kentering zou kunnen bewerkstelligen in hoe men consumeerde. In plaats daarvan kwam de massaconsumptie in een stroomversnelling. Instant gratificatie won het van lang sparen voor een verstandige aankoop. Prosperity werd synoniem met materialisme.
“I love the smell of commerce in the morning”
–Brodie (Jason Lee) in de film Mallrats (1995)
Onze consumptiemaatschappij blijft er één met de term ‘wergwerp’ hoog in het vaandel. Snel, gemakkelijk en goedkoop is nog steeds een magische combinatie. Toch is er al een aantal decennia een kentering waar te nemen die al langer mainstreamsgewijs doorsijpelt; kleinere ondernemingen die op verantwoorde wijze omgaan met werknemers, grondstoffen en het milieu. De geitenwollensokken zijn al lang uitgetrokken, het imago is opgekrikt. Men doet goede zaken.
Tegelijkertijd blijven grote spelers bouwen aan groter en meer. Stukken binnenstad worden neergehaald en helemaal nieuw opgebouwd, vaak met een winkelbestemming. Een aantal jaren geleden resulteerde dit in Arnhem in de bouw van het Musiskwartier (het Bartokkwartier, ook in de binnenstad, is nu in ontwikkeling) en een vergelijkbaar project wordt nu in het Haarlemse Raaks opgeleverd. Het concept van een winkel als Lush (waar zo weinig mogelijk met verpakkingen wordt gewerkt) spreekt mensen aan, maar ook Primark (een prijsvechter in kledingland die in 2008 werd beschuldigd van uitbuiting van werknemers) doet het prima in Nederland. In- en uitzoomen wat betreft bedrijfsvoering beweegt zich naast elkaar voort, en vloeit soms in elkaar over; zie de overname van de Body Shop door L’Oreal. Voor elk wat wils, om het plat te stellen.
Toen ik een aantal jaren geleden illustraties maakte voor de herstructurering van Downtown Crossing in Boston, waaronder een winkelgebied, zag ik aan het bronmateriaal wat werd aangeleverd dat de architectuur niet zo heel erg verschilde van wat er in Europa wordt verbouwd en bebouwd. De eenvormigheid neemt toe. En dat geldt niet alleen voor architectuur. Misschien dat we daarom authenticiteit en echtheid zo graag willen omarmen.
In Edmonton, Canada is een gigantische mall opgezet waarin zoveel vormen van vermaak en consumptie zijn verwerkt dat je nooit meer een stap buiten hoeft te zetten. De VPRO heeft in ‘de toekomst’ (een serie over de toekomst van verschillende facetten van de maatschappij waarin we leven) een aflevering gewijd aan deze funshopkolos. In rurale gebieden wordt dit fenomeen misschien als eventuele oplossing gezien, maar een soort winkel-Disneyland lijkt me een vervlakking. De omvang van onze ecologische voetstap waarmee we met z’n allen voortsjokken is toch al niet toe te juichen.

Of er nog -afdoende- redding is voor de Brinkmann passage waag ik te betwijfelen. Talloze ideeën en voorstellen zijn geponeerd (en worden nog steeds aangedragen) door evenzoveel mensen en groeperingen. Met inachtneming van de ontwikkelingen op het gebied van winkelconcepten en al wat dies meer zij, is deze desolate plek een dieptreurig voorbeeld van hoe je het vooral niet moet willen in een stadscentrum. Vooralsnog blijft de Brinkmann passage een winkeltombe, een spreekwoordelijk treinwrak waar je als ramptoerist op winkelsafari kunt gaan. Kijken kijken, niet kopen.

————————————————————————————————————————–
Geraadpleegde bronnen:
Winkelcentra: Categoriaal onderzoek wederopbouw 1940-1965, W. Galema en D. van Hoogstraten (Zeist, maart 2005)
Tweening the Girl: Crystallization of the Tween Market 1980-1996, N. Coulter (Simon Fraser University 2009. Dissertation)
woensdag, juni 15th, 2011
